Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
VROOM INVEST N.V.,
1.[naam gedaagde 1] ,
[naam gedaagde 2],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 2 oktober 2019
- de akte vermeerdering van eis tevens houdende akte overlegging producties van [gedaagden]
- de akte overlegging productie van 1 november 2019 van [gedaagden]
- de akte overlegging producties van 7 november 2019 van [gedaagden]
- de brief van 7 november 2019 van Vroom Invest met productie 62
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 november 2019.
2.De feiten
“(…) De verkoopprijs voor de bouw van bovengenoemde woning, volgens het afwerkniveau van het bijgevoegde bestek, bedraagt € 989.600 incl. BTW. Naast de directe kosten voor de bouw van de woning zijn in dit bedrag ook de kosten meegenomen voor het verder uitwerken van het ontwerp en het aanvragen van de bouwvergunning. Hiervoor is reeds € 61.790,- in rekening gebracht (€ 2.500,-, € 48.400,-, € 10.890,-) (…)”
€ 54.278,00
“(…) Omdat wij zijn aangesteld om de druk op de familie te verminderen –deze druk wordt vooral veroorzaakt door het tempo waarop de beslissingsmomenten en termijnen op hen afkomen waarbij zij moeite hebben het inhoudelijk te volgen- leg ik het volgende verzoek voor: (…)”
“(…) Bijgaand meerwerk offerte M062. Indien wij de opleverdatum van 21 december 2018 gestand dienen te houden dient ook deze offerte komende week getekend in ons bezit te zijn.
besproken en wij zijn op basis van dit voorstel betaling van de termijnen 11 en 14 overeengekomen. Voorts zullen wij ons voorstel voor resterende termijnen verder uitwerken en u doen toekomen. Dit betreft ook de financiële afwikkeling van meer- en minderwerken, aanvullend werk en discussiepunten. (…)”
Aangezien u in de CC van deze mail zit, en deze uitspraak niet tegenspreekt, mochten wij er derhalve vanuit gaan dat u zich hierin kunt vinden. Daarnaast geeft de heer [naam werknemer] aan dat hij dit met u heeft besproken, en gezien u bijna alle communicatie via laatstgenoemde laat verlopen mochten wij ervan uit gaan dat deze toezegging nagekomen zou worden. Niets is echter minder waar gebleken.
3.De vordering en het verweer in conventie
4.De vordering en het verweer in reconventie
5.De beoordeling
€ 11.665,90 (r.o. 5.30)
€ 4.348,24 (r.o. 5.25)
€ 109.136,72.