ECLI:NL:RBGEL:2020:4324

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 augustus 2020
Publicatiedatum
26 augustus 2020
Zaaknummer
20-216
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 9 WahvArt. 13 WahvArt. 7:15 AwbArt. 7:28 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om vergoeding kosten rechtsbijstand in WAHV-procedures niet-ontvankelijk verklaard

Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 530 Wetboek Pro van Strafvordering voor vergoeding van kosten rechtsbijstand in drie WAHV-procedures. Deze procedures betroffen boetes opgelegd wegens verkeersovertredingen met een auto op zijn naam. De kantonrechter oordeelde dat de overtredingen waren gepleegd door een joyrider en vernietigde de boetes, maar sprak geen proceskostenveroordeling uit omdat hier niet om was verzocht.

Het openbaar ministerie adviseerde verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren omdat artikel 530 Sv Pro niet van toepassing is op WAHV-zaken. De rechtbank bevestigde dit en wees erop dat kostenvergoedingen in WAHV-zaken geregeld zijn in artikel 13 Wahv Pro en de Awb, waarbij een verzoek om kostenvergoeding moet worden gedaan voordat op het beroep wordt beslist.

De rechtbank concludeerde dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoek en wees iedere proceskostenveroordeling af. Tevens werd benadrukt dat een advocaat van een gerenommeerd kantoor op de hoogte had moeten zijn van deze rechtsregel.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om vergoeding van kosten rechtsbijstand in WAHV-procedures.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
WAHVnummer: 8087378 \ BR VERZ 19-384 \ 894-ER;
8087405 \ BR VERZ 19-385 \ 894-ER;
8087421 \ BR VERZ 19-386 \ 894-ER
Rechtbanknummer : 20-216, 20-217 en 20-218
Beschikking van de enkelvoudige raadkamer naar aanleiding van het op 21 april 2020 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift, ex artikel 530 Wetboek Pro van Strafvordering, van:

naam: [verzoeker] , hierna: verzoeker,

geboren op : [geboortedag] 1945
adres : [adres]
,
in deze woonplaats kiezende te ’s-Hertogenbosch aan de Havensingel 8 (5211TX) ten kantore van zijn advocaat mr. M.A. Prins, Kuijpers & Nillesen.

De procedure

Het verzoekschrift strekt tot verkrijging van een vergoeding voor de door verzoeker betaalde kosten van rechtsbijstand in drie door de kantonrechter te Nijmegen behandelde WAHV-procedures tot een bedrag van € 2.547,08, vermeerderd met de proceskosten van € 280,- dan wel € 550,-.
Het openbaar ministerie heeft geadviseerd verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren nu het betreft een Wahv procedure, die niet onder het bereik van art 530 Sv Pro valt.
In verband met de Coronaperikelen heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens verzoeker is niet meer gereageerd op het advies van het openbaar ministerie.

De beoordeling

Aan verzoeker zijn in 2019 drie boetes opgelegd vanwege overtredingen die waren gepleegd met een auto waarvan het kenteken op zijn naam stond. Hij heeft hiertegen beroep ingesteld bij de officier van justitie en uiteindelijk bij de kantonrechter ex artikel 9 Wahv Pro.
De kantonrechter in deze rechtbank heeft bij beslissingen van 3 maart 2020 in alle zaken aannemelijk geacht dat de overtredingen waren gepleegd tegen de wil van verzoeker als kentekenhouder (namelijk door een joyrider) en dat verzoeker dit niet had kunnen voorkomen. In alle zaken is het beroep gegrond geacht, is de beslissing waarvan beroep alsmede de initiële beslissing vernietigd en de terugbetaling van de gestelde zekerheid gelast. Daarbij is geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Daarom was overigens in de beroepschriften niet verzocht, voor zover vereist.
Artikel 13 Wahv Pro bepaalt: “De kantonrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.” Vervolgens zijn de artikelen 7:15 leden 2 t/m 4 en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid Awb van overeenkomstige toepassing verklaard.
Art. 7.28 Awb tweede lid luidt: “De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In dat geval stelt het beroepsorgaan de vergoeding vast die het bestuursorgaan verschuldigd is.”
En het vierde lid: “4 Het verzoek wordt gedaan voordat het beroepsorgaan op het beroep heeft beslist. Het beroepsorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het beroep.”
Uit dit samenstel van bepalingen kan het volgende worden afgeleid:
- degene die beroep instelt tegen een ingevolge de Wahv opgelegde sanctie, dient daarbij te verzoeken om een kostenveroordeling;
- dat verzoek moet worden gedaan voordat op het beroep wordt beslist;
- dat de kantonrechter
bij uitsluitingbevoegd is een procespartij te veroordelen in de proceskosten van de andere partij.
Hieruit volgt dat de regeling van artikel 530 Sv Pro, die geschreven is voor strafzaken, niet kan worden ingeroepen voor het verkrijgen van een kostenvergoeding voor een procedure ingevolge de Wahv. Een advocaat van een gerenommeerd kantoor als het onderhavige had dat mogen en moeten weten.

De beslissing

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn op artikel 530 Sv Pro gegrond verzoek.
Weigert iedere proceskostenveroordeling ten gunste van verzoeker.
Aldus gegeven in raadkamer door mr. F.J.H. Hovens, in tegenwoordigheid van E.A. Clever, griffier, en uitgesproken in openbare raadkamer van 5 augustus 2020.
De griffier is buiten staat te ondertekenen