Eiser, handelaar in auto's, maakte gebruik van de handelaarsregeling waarbij een proefrit werd gemaakt met een auto uit zijn bedrijfsvoorraad voorzien van handelaarskentekenplaten. Tijdens een controle kon de bestuurder het bijbehorende kentekenbewijs niet tonen, wat leidde tot een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) en een boetebeschikking van elk €421.
Eiser betwistte de hoogte van de naheffingsaanslag en de boete, stellende dat hij al MRB had betaald en dat de boete van 100% buitenproportioneel was, zeker gezien particulieren bij een vergelijkbare overtreding slechts een boete van €45 krijgen. De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd, omdat eiser verantwoordelijk is voor het voldoen aan de voorwaarden van de handelaarsregeling, waaronder het kunnen tonen van het kentekenbewijs.
Hoewel de boete conform de wettelijke regels was opgelegd, matigde de rechtbank deze tot €100 vanwege de omstandigheden van het geval en het feit dat het een eenmalige vergissing betrof. Het beroep werd gegrond verklaard voor zover het de boete betrof, de naheffingsaanslag bleef gehandhaafd. Tevens werd het betaalde griffierecht aan eiser vergoed.