De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit een hennepkwekerij, aanvankelijk berekend op €341.455,24, later aangepast naar €296.048,- op basis van 14 oogsten met 198 planten per oogst. De verdediging betwistte dit bedrag en stelde dat slechts twee oogsten met een totaal van €9.000,- aan voordeel konden worden vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat op basis van de bewijsmiddelen, waaronder vervuiling in de kweekruimte en verklaringen van verdachte, aannemelijk was dat ten minste drie oogsten hadden plaatsgevonden. De rechtbank stelde vast dat de bruto opbrengst per oogst €23.450,53 bedroeg en dat de kosten per oogst €1.672,62 waren, wat leidde tot een netto wederrechtelijk verkregen voordeel van €65.333,73.
De rechtbank wees erop dat het voordeel alleen kan worden ontnomen voor zover het daadwerkelijk in het vermogen van verdachte is gevloeid en dat een kasopstelling meer zekerheid zou bieden bij langere perioden. De vordering van de officier van justitie werd dan ook beperkt tot drie oogsten. De veroordeelde werd verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen, met een gijzelingstermijn van maximaal 540 dagen.