Eiseres exploiteert een pluimveebedrijf en werd getroffen door meerdere uitbraken van vogelgriep in 2014, 2016 en 2017, waardoor zij aanzienlijke schade leed. Hoewel zij een compensatie ontving voor een deel van de schade in 2014, bleef een groot deel ongedekt, wat leidde tot een nijpende financiële situatie en een wijziging van haar bedrijfsvoering.
Verweerder legde aan eiseres een heffing op voor het Diergezondheidsfonds pluimvee 2016, die na bezwaar werd verminderd. Eiseres betwistte niet de hoogte van de heffing zelf, maar wilde haar geleden schade verrekenen met deze heffing omdat zij de heffing als een verzekeringspremie beschouwt die onterecht is bij onvolledige schadevergoeding.
De rechtbank oordeelt dat zij alleen bevoegd is om de hoogte van de heffing te beoordelen en dat eiseres geen gronden tegen de hoogte heeft aangevoerd. De schadevergoeding is een civielrechtelijke kwestie die niet door de bestuursrechter kan worden beoordeeld. Verrekening met de heffing is niet mogelijk zonder een vastgestelde schadevergoeding door een bevoegde rechter.
De rechtbank concludeert dat de heffing terecht en correct is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. De schrijnende situatie van eiseres wordt erkend, maar kan niet leiden tot vermindering van de heffing.