ECLI:NL:RBGEL:2020:5803
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.A. van Leeuwen
- W. Bruins
- M. Hoedeman
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM bij verlenging proeftijd voorwaardelijke invrijheidstelling wegens strijd met art. 7 EVRM
De zaak betreft een verzoek van het openbaar ministerie tot verlenging van de proeftijd van een voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde, die eerder veroordeeld is tot gevangenisstraffen van 8 en 42 maanden. De proeftijd liep oorspronkelijk tot 11 november 2020, maar het OM wilde deze met 365 dagen verlengen vanwege onvoldoende vermindering van risico's volgens het reclasseringsadvies.
Tijdens de openbare terechtzitting op 23 oktober 2020 werden de raadsvrouw van veroordeelde, twee reclasseringswerkers en de officier van justitie gehoord. De verdediging voerde aan dat verlenging van de proeftijd neerkomt op een substantiële verzwaring van de straf en dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair werd verzocht de vordering af te wijzen omdat veroordeelde zijn behandeling ambulant wil voortzetten.
De rechtbank overweegt dat ten tijde van de veroordelingen in 2015 en 2017 verlenging van de proeftijd wettelijk niet mogelijk was en dat de voorwaarden van de voorwaardelijke invrijheidstelling een beperking van de vrijheid vormen. Verlenging van de proeftijd betekent een daadwerkelijke verlenging van vrijheidsbeneming en een langere periode van strafdreiging. Dit is een substantiële verzwaring die strijdig is met artikel 7 EVRM Pro. Daarom verklaart de rechtbank het OM niet-ontvankelijk in de vordering tot verlenging van de proeftijd.
Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling wegens strijd met artikel 7 EVRM.