ECLI:NL:RBGEL:2020:5829

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 oktober 2020
Publicatiedatum
2 november 2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 749
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring beroep wegens verschoonbare termijnoverschrijding bij bezwaar studiefinanciering

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (DUO) van 15 juli 2019, waarin studiefinanciering over bepaalde maanden werd afgewezen. Dit bezwaar werd door verweerder niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening. Eiser diende het bezwaarschrift op 21 augustus 2019 in, na afloop van de wettelijke termijn die eindigde op 26 juli 2019.

De rechtbank overweegt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is omdat eiser door de vele briefwisselingen en onduidelijkheid over het definitieve karakter van het besluit op het verkeerde been is gezet. De brief van 15 juli 2019 werd als een herhaald besluit gezien, en eiser mocht aannemen dat dit het definitieve besluit was. Daarom had het bezwaar ook betrekking op het eerdere besluit van 14 juni 2019.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en oordeelt dat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.050,- voor rechtsbijstand en €48,- griffierecht. Het vonnis is uitgesproken door rechter H.J. Klein Egelink op 30 oktober 2020.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens verschoonbare termijnoverschrijding en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/749
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. G. Gabrelian),
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (DUO)te Groningen, verweerder.

1.Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 24 december 2019.

2.Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 24 december 2019, waarbij het bezwaar van eiser tegen het besluit van 15 juli 2019 wegens niet tijdige indiening ervan niet-ontvankelijk is verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2020 via ‘Skype voor Bedrijven’. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. G. Gabrelian. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer Slagter.

3.Overwegingen

Ingevolge artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken, welke termijn ingevolge artikel 6:8 van Pro de Awb aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt ingevolge artikel 3:41 van Pro de Awb, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
In artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb is bepaald dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen en bij verzending per post, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Artikel 6:11 van Pro de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de hiervoor genoemde termijn ingediend bezwaarschrift, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Uit de gedingstukken blijkt dat eiser bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 15 juli 2019. (referentie 0044868956). Verweerder heeft het bezwaar mede gericht geacht tegen de beslissing van 14 juni 2019 (referentie 0042705269) waarbij reeds is beslist op het recht van eiseres op aanvullende beurs en studentenreisproduct van oktober 2018 tot en met december 2019.
Gelet hierop was de laatste dag van de bezwaartermijn 26 juli 2019.
Het bezwaarschrift van 21 augustus 2019 is bij verweerder ingekomen op 21 augustus 2019, derhalve na afloop van de in artikel 6:7 van Pro de Awb genoemde termijn.
Bij brief van 21 november 2019 heeft verweerder eiser verzocht mee te delen wat de reden is dat het bezwaarschrift niet binnen de bezwaartermijn is ingediend.
Eiser heeft bij brief van 3 december 2019 als reden voor het te laat indienen van het bezwaar aangevoerd dat hij niet heeft begrepen dat de brief van 14 juni 2019 een besluit was op zijn aanvraag, waartegen bezwaar kon worden gemaakt.
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft bij bericht van 14 juni 2019 (periode september 2018 tot en met december 2019) de aanvraag studiefinanciering afgewezen.
Dit is zonder meer een besluit. Dan volgt een bericht van 14 juni 2019 over de maanden oktober 2018 tot en met december 2018. Daarbij is door verweerder aangegeven dat het recht op studiefinanciering nog niet kan worden vastgesteld. De aanvullende beurs voor de maand september 2018 blijft afgewezen. Dan volgt een brief van 18 juni 2019 met het verzoek om informatie over de maanden september 2018 tot en met mei 2019. Eiseres heeft hierop gereageerd bij e-mail bericht van 2 juli 2019. Dan volgt een brief van 15 juli 2019 met de mededeling dat de studiefinanciering niet wordt toegekend over de maanden oktober 2018 tot en met december 2018. Eiser denkt dat hier de zaak mee is afgehandeld en maakt bezwaar op 21 augustus 2019. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding omdat eiser door de vele briefwisselingen op het verkeerde been is gezet. De brief van 15 juli 2019 is een herhaald besluit. Het bezwaar wordt geacht ook gericht te zijn tegen het besluit van 14 juni 2019. Eiser mocht er onder deze omstandigheden vanuit gaan dat de brief van 15 juli 2019 het definitieve besluit was.
Verweerder heeft het bezwaar, gelet op het voorgaande, ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep moet dan ook gegrond worden verklaard.
De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Ook moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht € 48,- vergoeden.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4.Beslissing

De rechtbank
verklaart het beroep gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van
A.A. Hommel, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto Pro 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.