In deze zaak stond centraal of tussen eiser en gedaagden een overeenkomst bestond over het gebruik van een bouwkast en hoe deze overeenkomst gekwalificeerd moest worden. Eiser stelde dat sprake was van een huurovereenkomst met een vergoeding voor het gebruik, terwijl gedaagden betwistten dat een overeenkomst bestond en dat de prijs juist was.
De rechtbank oordeelde dat uit de correspondentie en het feit dat gedaagden de bouwkast gebruikten, bleek dat zij wisten dat zij tegen betaling gebruik mochten maken van de bouwkast, die eigendom was van eiser. De overeenkomst werd daarom als huurovereenkomst gekwalificeerd, omdat sprake was van een voldoende bepaalbare tegenprestatie, ondanks dat de exacte hoogte niet was overeengekomen.
De rechtbank stelde de huurprijs vast op het door eiser gematigde tarief van €19 exclusief btw per week, wat redelijk werd geacht gezien de aard van het gehuurde. De vordering tot betaling van de huur en wettelijke rente vanaf 13 maart 2020 werd toegewezen. De vordering tot contractuele rente werd afgewezen omdat niet was komen vast te staan dat de algemene voorwaarden van eiser van toepassing waren. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen wegens het ontbreken van een kosteloze aanmaning conform de wettelijke eisen.
Gedaagden werden veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, wettelijke rente en proceskosten, met een bepaling voor nakosten bij niet-tijdige betaling. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.