ECLI:NL:RBGEL:2020:6523

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 december 2020
Publicatiedatum
10 december 2020
Zaaknummer
8651793
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 93 RvArt. 96 RvArt. 71 lid 1 RvArt. 8 lid 1 WGBZ
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing civiele zaak naar kamer voor andere zaken dan kantonzaken wegens betwisting rechtstitel

In deze civiele procedure vordert ING Bank N.V. betaling van €25.000 van de gedaagde besloten vennootschap. ING behoudt zich het recht voor om later de restant hoofdsom, wettelijke rente en kosten te vorderen.

De kantonrechter overweegt dat volgens artikel 93 Rv Pro zaken tot €25.000 door de kantonrechter worden behandeld, tenzij de rechtstitel het bedrag te boven gaat en wordt betwist. Gedaagde betwist de rechtstitel waarop de vordering is gebaseerd, waardoor de zaak niet door de kantonrechter kan worden behandeld.

ING heeft verzocht de zaak alsnog door de kantonrechter te laten behandelen, maar zonder instemming van gedaagde en zonder gezamenlijk verzoek kan dit niet. Daarom verwijst de kantonrechter de zaak naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken.

Partijen worden erop gewezen dat zij in het vervolg van de procedure advocaat moeten inschakelen en dat het griffierecht zal worden verhoogd en alsnog van gedaagde geheven. Het vonnis is gewezen door kantonrechter S.E. Sijsma en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De kantonrechter verwijst de zaak naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken wegens betwisting van de rechtstitel en gebrek aan instemming voor behandeling door de kantonrechter.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaakgegevens 8651793 \ CV EXPL 20-6796 \ 42693 \ 28195
uitspraak van
vonnis
in de zaak van
de naamloze vennootschap
ING Bank N.V.
gevestigd te Amsterdam
eisende partij
gemachtigde C. de Graaf
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde].
gevestigd te [woonplaats]
gedaagde partij
gemachtigde mr. M.W. Huijzer
Partijen worden hierna ING en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 september 2020 en de daarin genoemde processtukken;
- nadere producties 1 en 2 van de zijde van ING;
- de comparitie van partijen van 2 december 2020.

2.De beoordeling

2.1.
ING vordert – kort samengevat – dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om aan haar te betalen de som van € 25.000,00. In het petitum van ING staat vervolgens:
Eisers wenst zich echter uitdrukkelijk het recht voor te behouden om in een later stadium tot dagvaarding van gedaagde voor de restant hoofdsom, alsmede wettelijke rente en (buitengerechtelijke) kosten over te gaan.
2.2.
In artikel 93 aanhef Pro en sub a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat zaken betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,00 door de kantonrechter worden behandeld en beslist, tenzij de rechtstitel dat bedrag te boven gaat en die rechtstitel wordt betwist.
2.3.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen zich uitgelaten over de bevoegdheid van de kantonrechter.
2.4.
[gedaagde] voeren onder meer als verweer dat ING geen rechtsvordering meer op haar heeft. Dit zou door ING zelf aan haar zijn bevestigd, aldus [gedaagde].
Naar het oordeel van de kantonrechter is dit verweer van [gedaagde] gericht tegen de rechtstitel waarop de vordering is gegrond en niet slechts tegen het gevorderde bedrag van ten hoogste € 25.000,00.
ING doet – ook ter zitting – geen afstand van het meerdere boven € 25.000,00. De kantonrechter is daarom van oordeel dat deze zaak dient te worden behandeld en beslist door een kamer voor andere zaken dan kantonzaken.
2.5.
Ter zitting heeft ING verzocht om deze zaak op grond van artikel 96 Rv Pro (alsnog) aan de kantonrechter voor te leggen. Nu partijen zich niet samen tot de kantonrechter hebben gewend (artikel 96 lid 1 Rv Pro) en [gedaagde] ook niet heeft ingestemd met deze keuze van ING (artikel 96 lid 2 Rv Pro), kan de kantonrechter aan deze keuze geen gehoor geven. Daarom zal de zaak ingevolge artikel 71 lid 1 Rv Pro worden verwezen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van 13 januari 2021 van de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, locatie Arnhem;
3.2.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure moeten worden vertegenwoordigd door een advocaat;
3.3.
wijst partijen erop dat ingevolge artikel 8 lid 1 WGBZ Pro het in deze procedure geheven griffierecht zal worden verhoogd en van [gedaagde] alsnog griffierecht zal worden geheven.
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. S.E. Sijsma en in het openbaar uitgesproken op