Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 december 2020 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [woonplaats] ,
(gemachtigde: mr. R.J.G. Bäcker),
(gemachtigde: mr. T.E.P.A. Lam).
: [derde partij], te [woonplaats]
Rechtbank Gelderland
De zaak betreft een geschil over last onder bestuursdwang opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem aan een derde partij vanwege het opslaan van brandblusmiddel in lekkende Intermediate Bulk Containers (IBC’s). Verzoekers, waaronder de eigenaar van het perceel en bestuurder van de verhuurdersmaatschappij, verzochten de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de bestuursdwangbesluiten te schorsen.
De last onder bestuursdwang beoogt het beëindigen van overtredingen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en voorschriften uit de omgevingsvergunning, met name het beperken van de opslag van blusschuim tot maximaal 10 ton en het overpompen van niet geschikt verpakte afvalstoffen in vloeistofdichte bassins. Verweerder is inmiddels gestart met de feitelijke uitvoering van de besluiten, waaronder de aanleg van een vloeistofdichte vloer en het overpompen van stoffen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekers hun spoedeisend belang voldoende hebben onderbouwd, maar dat de termijn voor uitvoering van de bestuursdwang niet onredelijk is. De termijn van twee maanden voor het overpompen en het onderzoeken van stoffen wordt als passend beschouwd. Tevens kan de rechter niet ingrijpen in de feitelijke wijze van uitvoering van de bestuursdwang, dit is voorbehouden aan de civiele rechter. Gezien de voortgang van de uitvoering is er geen aanleiding voor een voorlopige voorziening en worden de verzoeken afgewezen.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af omdat verweerder is gestart met uitvoering en geen spoedeisend belang is aangetoond.