ECLI:NL:RBGEL:2020:6991

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 november 2020
Publicatiedatum
5 januari 2021
Zaaknummer
05/58892-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 4 OpiumwetArt. 3a OpiumwetArt. 10a Opiumwet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken bewijs medeplegen invoer cocaïne

De rechtbank Gelderland behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van medeplegen en medeplichtigheid bij de invoer van circa 50 kilogram cocaïne via het schip [naam schip]. Verdachte werd ervan verdacht samen met anderen de cocaïne uit het schip te hebben gehaald in de periode januari-februari 2019.

Het openbaar ministerie stelde dat verdachte de uithaler was, een essentieel onderdeel van de invoer. De verdediging betoogde dat verdachte op het schip was om illegaal naar Engeland mee te reizen en niet betrokken was bij de cocaïne-invoer. De rechtbank achtte de verklaring van verdachte ongeloofwaardig, maar stelde vast dat de cocaïne al op 5 februari 2019 door de Douane in beslag was genomen, terwijl verdachte pas op 6 februari op het schip was.

Omdat de cocaïne op dat moment niet meer aanwezig was, kon verdachte niet betrokken zijn geweest bij het daadwerkelijk uithalen of medeplegen van invoer. Wel waren er voorbereidingshandelingen, maar deze waren niet ten laste gelegd. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit en hief het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens ontbreken bewijs voor medeplegen of medeplichtigheid aan invoer van cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer : 05/58892-19
Datum uitspraak : 23 november 2020
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ), z.v.w.o.v.p.h.t.l.
Raadsvrouw: mr. K.C. van de Wijngaart, advocaat te Schiedam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen
van 5 juni 2020, 1 oktober 2020, 12 oktober 2020, 26 oktober 2020 en 9 november 2020.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode tussen 1 januari 2019 tot en met 8 februari 2019, in Vlissingen, en/of in Rotterdam, althans in Nederland en/of in Guayaquil en/of in Puerto Bolivar en/of in Quito althans in Ecuador, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland , al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van Pro de Opiumwet, heeft gebracht ongeveer:
- 50,07 kilogram cocaïne (Zaaksdossier ‘ [naam schip] ’),
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] , in of omstreeks de periode tussen 1 januari 2019 tot en met 8 februari 2019, in Vlissingen, en/of in Rotterdam, althans in Nederland en/of in Guayaquil en/of in Puerto Bolivar en/of in Quito althans in Ecuador, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van Pro de Opiumwet, binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht ongeveer:
- 50,07 kilogram cocaïne (Zaaksdossier ‘ [naam schip] ’),
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte , in of omstreeks de periode tussen 1 januari 2019 tot en met 8 februari 2019, in Vlissingen, en/of in Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- ( samen met een onbekend gebleven persoon) met een breekijzer, een hamer en/of een tas het schip de [naam schip] te betreden en/of
- ( samen met een onbekend gebleven persoon) naar de vindplaats van voornoemde middelen op voornoemd schip te zoeken;

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de invoer van cocaïne in Nederland. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte de uithaler van de cocaïne was en dat dit een essentieel onderdeel van de invoer is.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte op het schip was omdat hij illegaal naar Engeland mee wilde reizen, maar niet om de cocaïne uit te halen. Subsidiair is bepleit dat indien de rechtbank de verklaring van verdachte niet geloofwaardig acht, zijn handelen niet te kwalificeren valt als het ten laste gelegde medeplegen van of medeplichtigheid aan de invoer van cocaïne.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank overweegt dat de verklaring van [verdachte] dat hij op de [naam schip] was met een breekijzer omdat hij onopvallend mee wilde varen naar Engeland, ongeloofwaardig is. De [naam schip] zou niet naar Engeland varen, maar vanuit Rotterdam rechtstreeks naar Zuid-Amerika (aanvullend proces-verbaal met nummer 20191107.1118). Ook had [verdachte] geen bagage bij zich. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het dossier worden vastgesteld dat [verdachte] één van de uithalers was van het transport van 50,07 kg cocaïne met de [naam schip] .
De rechtbank stelt echter ook vast dat de cocaïne al op 5 februari 2019 uit het schip is gehaald door de Douane in Vlissingen en dat [verdachte] een dag later, op 6 februari 2019 in Rotterdam, op het schip is geweest. De cocaïne was toen hij op het schip was dus niet meer aanwezig en kon niet meer worden uitgehaald.
Er was weliswaar al sprake van een voltooide invoer van de cocaïne binnen Nederlands grondgebied. Maar van betrokkenheid van [verdachte] bij de invoer vóórdat de cocaïne in beslag werd genomen, is niet gebleken. Het uithalen zelf heeft niet plaatsgevonden en daarom is de rechtbank van oordeel dat zijn handelen niet gekwalificeerd kan worden als medeplegen van of medeplichtigheid aan de invoer van cocaïne.
Zijn handelingen kunnen wel worden gekwalificeerd als voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet. Dat de cocaïne niet meer aanwezig was ten tijde van het betreden van het schip staat weliswaar in de weg aan het daadwerkelijk bemachtigen van de cocaïne, en daarmee aan het medeplegen van de invoer, maar dat ontneemt niet het zelfstandige strafbare karakter van deze voorbereidingshandelingen. Het plegen van voorbereidingshandelingen is echter niet ten laste gelegd aan [verdachte] .
De rechtbank zal [verdachte] daarom vrijspreken.

9.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit;

heft ophet geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. D.R. Sonneveldt en mr. J.M. Graat, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen en mr. M. Langstraat, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 november 2020.