De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde, berekend op €77.230. Tijdens de terechtzitting werd deze vordering aangepast tot een periode van 365 dagen, resulterend in een bedrag van €56.650. De verdediging voerde aan dat de berekeningsperiode en kostenposten gecorrigeerd moesten worden.
De rechtbank baseerde haar oordeel op het vonnis waarin is vastgesteld dat de veroordeelde vanaf januari 2019 tot 13 januari 2020 handelde in strijd met de Opiumwet. De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel werd aangepast naar een dealperiode van 365 dagen, waarbij inkomsten en kosten proportioneel werden herberekend. De rechtbank verwierp de aanvullende kostenposten voorgesteld door de verdediging wegens onvoldoende onderbouwing.
Uiteindelijk stelde de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €60.883 en legde de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld voor het geval van niet-betaling.