ECLI:NL:RBGEL:2021:1600
Rechtbank Gelderland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheidsgeschil inzake ouderlijk gezag en verblijfplaats minderjarige
De vader verzocht de rechtbank om gezamenlijk ouderlijk gezag over het minderjarige kind toe te wijzen en het hoofdverblijf bij hem te bepalen. De moeder voerde verweer en betwistte de Nederlandse rechterlijke bevoegdheid vanwege de inschrijving en het verblijf van het kind en haarzelf in Duitsland sinds november 2020.
De rechtbank onderzocht de internationale rechtsmacht aan de hand van Brussel II-bis en het begrip gewone verblijfplaats. Hoewel de moeder en het kind sinds kort in Duitsland verbleven, concludeerde de rechtbank dat de gewone verblijfplaats van het kind op het moment van indiening van het verzoek (1 december 2020) nog in Nederland lag, gezien de korte verblijfsduur in Duitsland en de sociale en familiale integratie in Nederland.
Op grond van de relatieve bevoegdheid en het feit dat de moeder als enige ouder het gezag uitoefent en in Duitsland woont, verklaarde de rechtbank zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen en verwees de zaak naar de rechtbank Den Haag. Proceskosten werden gecompenseerd, waarbij partijen ieder hun eigen kosten dragen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de rechtbank Den Haag.