Op 4 oktober 2020 vond een incident plaats waarbij verdachte zijn vader mishandelde door hem eenmaal krachtig tegen de linkerzijde van het hoofd te trappen terwijl deze op de grond lag. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met voorwaardelijk opzet handelde, ondanks dat het doelbewust toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet expliciet was verklaard.
De verdediging voerde aan dat verdachte slechts een trappende beweging maakte en dat het letsel licht was, terwijl verdachte ook uit noodweer handelde omdat de vader een honkbalknuppel vasthield. De rechtbank verwierp het noodweerverweer omdat verdachte zich kon onttrekken aan de situatie en de trap niet noodzakelijk was.
Verdachte heeft een voorgeschiedenis van geweldsdelicten en is reeds onder dwangverpleging gesteld in een andere zaak. Gezien de ernst van het feit, de omstandigheden en de eerdere voorlopige hechtenis, legde de rechtbank een gevangenisstraf van drie maanden op, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis doorbracht.