Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.De vordering en het verweer in conventie
€ 15.000,-;
4.De vordering en het verweer in voorwaardelijke reconventie
nietheeft verworven.
Rechtbank Gelderland
Eiser en gedaagde hadden een affectieve relatie waarin eiser een puppy in Spanje kreeg en deze mee naar Nederland nam. De hond verbleef grotendeels bij gedaagde en werd op zijn naam gechipt en geregistreerd. Na beëindiging van de relatie vorderde eiser teruggave van de hond, stellende eigenaar te zijn.
De kantonrechter stelt vast dat de hond feitelijk bij gedaagde verblijft en dat op grond van het wettelijk vermoeden uit artikel 3:109 en Pro 3:119 BW gedaagde als rechthebbende geldt, tenzij eiser tegenbewijs levert. Eiser kon niet overtuigend aantonen dat zij eigenaar bleef, noch dat zij en gedaagde een afspraak hadden dat de hond terug zou gaan naar haar.
Gedaagde voerde aan dat eiser het bezit van de hond prijsgaf met het oogmerk zich van de eigendom te ontdoen, zoals bedoeld in artikel 5:18 BW Pro. De kantonrechter oordeelde dat dit aannemelijk was, mede door de registratie op naam van gedaagde en het ontbreken van bewijs van een complot van eiser. De vordering van eiser wordt daarom afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot teruggave van de hond wordt afgewezen omdat eiser niet heeft bewezen eigenaar te zijn.