De zaak betreft een vordering van een financiële holding ([bedrijf]) tegen Wisaro B.V. en een aandeelhouder ([gedaagde]) tot betaling van €137.214 voor werkzaamheden verricht in de periode 2005-2010. [bedrijf] baseert haar vordering primair op een overeenkomst van opdracht die zou zijn gesloten in 2005, en subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking.
De rechtbank stelt vast dat uit het overgelegde gespreksverslag van 15 februari 2005 geen betalingsverplichting van de aandeelhouders of oprichters van Zelas Holding kan worden afgeleid. De gestelde afspraak betreft een facturering door [eiser] aan Zelas Holding bij een overschot aan liquiditeiten of verkoop van het bedrijf. Er is geen bewijs dat deze afspraak is bekrachtigd door Wisaro c.s. of dat er een overeenkomst van opdracht is gesloten.
Ook de gestelde nadere afspraak uit 2010 waarbij de betalingsverplichting zou zijn overgenomen door de aandeelhouders is onvoldoende onderbouwd. Er ontbreken schriftelijke stukken die deze afspraak bevestigen, ondanks het financiële belang en de juridische bijstand bij de aandelenverkoop.
De rechtbank oordeelt dat [bedrijf] onvoldoende bewijs heeft geleverd voor het bestaan van een overeenkomst van opdracht en zal haar niet tot bewijslevering toelaten. De vordering op grond van nakoming wordt afgewezen. Ook de subsidiaire vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking wordt afgewezen omdat geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking ten koste van [bedrijf].
[bedrijf] wordt veroordeeld in de proceskosten van Wisaro c.s. en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.