In deze civiele zaak tussen MEDIA INVESTERINGS- EN MANAGEMENT MAATSCHAPPIJ B.V. (MIMM) en Stichting Indomedia staat een geschil centraal over intellectuele eigendomsrechten op het woordmerk PINDAH* en de exploitatie daarvan.
Indomedia vorderde in een incident voorlopige voorzieningen om MIMM te verbieden het gebruik en de exploitatie van het merk en gerelateerde uitgaven te staken, betaling van een voorschot op winstdeel, en het verstrekken van een door een registeraccountant gecontroleerde opgave van exploitatieopbrengsten. MIMM voerde verweer en stelde eigenaar te zijn van het woordmerk, dat zij het recht heeft om het magazine uit te geven en dat de vorderingen onvoldoende aannemelijk zijn.
De rechtbank oordeelde dat MIMM eigenaar is van het gedeponeerde woordmerk PINDAH* en dat Indomedia onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij intellectuele eigendomsrechten bezit. De gevorderde voorlopige voorzieningen werden afgewezen vanwege het ontbreken van voldoende aannemelijkheid en het belang van MIMM dat zwaarder weegt vanwege de financiële gevolgen.
De vordering tot betaling van een voorschot werd afgewezen vanwege het restitutierisico en betwisting van de hoogte van de vordering. De vordering tot het verstrekken van een opgave van exploitatieopbrengsten werd eveneens afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Indomedia werd veroordeeld in de kosten van het incident. De mondelinge behandeling van de hoofdzaak staat gepland op 25 mei 2021.