De zaak betreft een geschil over de verkoop van aandelen in Kalur B.V. tussen aandeelhouders en bestuurders die hun aandelen willen verkopen aan een derde partij, [eiser 2]. Op 18 maart 2020 bereikten partijen een schriftelijke overeenkomst over de essentialia van de koop, waaronder de prijs van € 3.000.000,- en een leveringsdatum van 1 januari 2021, onder voorbehoud van financiering.
Na langdurige onderhandelingen en financieringsaanvragen bij ING, die uiteindelijk een kredietfaciliteit van circa € 3.450.000,- aanbood, weigerde gedaagde medewerking aan de overdracht. Eisers vorderden nakoming van de koopovereenkomst en medewerking aan de levering van aandelen.
De rechtbank oordeelt dat wilsovereenstemming over de essentialia van de koop op 18 maart 2020 is bereikt en dat de financiering door ING de uitvoering mogelijk maakt. De bezwaren van gedaagde worden niet gegrond geacht. De rechtbank veroordeelt gedaagde tot medewerking aan het opstellen van een notariële akte en tot levering van de aandelen, met dwangsommen bij niet-nakoming. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.