De rechtbank Gelderland behandelde een civiele zaak tussen gezamenlijke eisers, eigenaren van een woning te Arnhem, en een bouwondernemer over een aannemingsovereenkomst voor verbouwingswerkzaamheden aan een casco woning. De overeenkomst betrof een aanneemsom van circa €194.355 inclusief btw, met een betalingsschema in termijnen. De bouwondernemer stuurde diverse facturen, waarvan een deel voor meerwerk was.
Gezamenlijke eisers stelden dat de aannemer tekortgeschoten was door niet tijdig en gebrekkig werk en ontbonden de overeenkomst deels. Zij vorderden schadevergoeding en betwistten de hoogte van de aanneemsom wegens vermeende dwaling over elektra. De aannemer betwistte tekortkoming en stelde zich op het standpunt dat er geen fatale oplevertermijn was overeengekomen en dat hij zijn opschortingsrecht mocht uitoefenen vanwege niet-betaalde termijnen. Tevens vorderde hij betaling van openstaande termijnen en meerwerk.
De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van een overeengekomen fatale termijn en dat de aannemer terecht zijn werkzaamheden opschortte omdat de opdrachtgever niet voldoende had betaald. De vordering tot schadevergoeding wegens tekortkoming werd afgewezen. De stelling van dwaling werd verworpen omdat de prijsafspraak helder was en de opdrachtgever de marge van de aannemer diende te accepteren. De rechtbank stelde vast dat de opdrachtgever minder had betaald dan de stand van de bouw rechtvaardigde, waardoor de opschorting gerechtvaardigd was.
De rechtbank oordeelde dat de opzegging van de overeenkomst door de opdrachtgever rechtens mogelijk is, maar dat de hoogte van de besparingen die de aannemer daardoor heeft, nog nader moet worden vastgesteld. Hiertoe werd een aktewisseling en mogelijk deskundigenonderzoek bevolen. De vordering van de aannemer tot betaling van meerwerk werd deels toegewezen voor zover de meerprijs was besproken en erkend, maar niet voor het niet-gecommuniceerde deel. De procedure wordt voortgezet volgens het nieuwe procesrecht met verplichte procesvertegenwoordiging.