Op 11 juli 2020 kocht eiser een konijn van gedaagde, dat binnen negen dagen na aankoop ziek werd en uiteindelijk op 22 juli 2020 is ingeslapen. Eiser stelde dat het konijn non-conform was en vorderde vergoeding van het aankoopbedrag, dierenartskosten en immateriële schadevergoeding wegens psychisch leed.
De rechtbank oordeelde dat het konijn juridisch als zaak wordt beschouwd en dat op grond van de korte termijn tussen aankoop en ziekte het gebrek reeds aanwezig was bij verkoop. Gedaagde kon niet aantonen dat het dier bij verkoop gezond was, waardoor sprake is van non-conformiteit en tekortkoming in de nakoming.
De rechtbank veroordeelde gedaagde tot vergoeding van het aankoopbedrag en de dierenartskosten, aangezien deze redelijk en noodzakelijk waren gemaakt. De vordering tot immateriële schadevergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Proceskosten werden grotendeels aan gedaagde opgelegd.
Het vonnis werd gewezen door kantonrechter R.M. Schoo en op 30 juni 2021 in het openbaar uitgesproken.