De moeder van twee minderjarige kinderen, die onder toezicht zijn gesteld en in een pleeggezin verblijven, verzocht de kinderrechter om een zorgregeling vast te stellen waarbij de omgang met haar kinderen driemaal per week onbegeleid zou plaatsvinden. De moeder stelde dat de huidige omgang te beperkt en begeleid is, wat de hechting met name bij een van de kinderen bedreigt.
De kinderrechter verklaarde de moeder ontvankelijk in haar verzoek, hoewel dit formeel op een verkeerde wettelijke grondslag was ingediend; het verzoek had moeten worden gebaseerd op artikel 1:265f BW in plaats van 1:262b BW. De advocaat van de moeder had echter de juiste procedure gevolgd door eerst contact te zoeken met de gezinsvoogd.
Inhoudelijk oordeelde de kinderrechter dat het verzoek te vroeg kwam omdat de gezinsvoogd nog een observatieperiode voor de gezinsopname in Beilen wilde afwachten. De gezinsvoogd erkende dat de omgang momenteel minimaal is en dat uitbreiding wenselijk is, maar dit moet eerst intern worden besproken en formeel worden vastgelegd.
De kinderrechter benadrukte dat bij het uitblijven van een uitbreiding een formele schriftelijke aanwijzing van de gezinsvoogd noodzakelijk is, waarna de moeder bezwaar kan maken. Op basis hiervan wees de kinderrechter het verzoek af en gaf aan dat hoger beroep mogelijk is binnen drie maanden na betekening.