ECLI:NL:RBGEL:2021:4816

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 september 2021
Publicatiedatum
9 september 2021
Zaaknummer
C/05/391174 / KG RK 21-547
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:16 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens te late indiening in belastingzaak

De rechtbank Gelderland behandelde een wrakingsverzoek van een verzoeker tegen mr. J.M.W. van de Sande, rechter in een belastingzaak over de aanslag inkomstenbelasting 2014. Het wrakingsverzoek werd ingediend zes dagen nadat verzoeker bekend was geworden met de feiten en omstandigheden die aanleiding vormden voor het verzoek.

Verzoeker stelde meerdere gronden aan het wrakingsverzoek ten grondslag, waaronder de wijze waarop de rechter omging met mandaatbesluiten, vermeende onvolledige griffieraantekeningen, ongepaste vragen van de rechter en het weigeren van een pleitnota. De rechtbank stelde dat een rechter slechts gewraakt kan worden bij objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.

De rechtbank oordeelde dat verzoeker het wrakingsverzoek te laat had ingediend, terwijl hij reeds op de zittingsdatum bekend was met de gronden. De door verzoeker aangevoerde redenen voor de vertraging werden niet als bijzondere omstandigheden aangemerkt. Daarom werd het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard en werd niet inhoudelijk op het verzoek ingegaan.

De beslissing werd op 3 september 2021 door de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Gelderland uitgesproken. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

beslissing
RECHTBANK GELDERLAND, locatie Arnhem
Wrakingskamer
zaaknummer: C/05/391174 / KG RK 21-547
Beslissing van 3 september 2021
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker]
wonende te Doesburg
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. J.M.W. van de Sande,
rechter in deze rechtbank
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het schriftelijke wrakingsverzoek van 19 juli 2021
  • de aanvulling op het wrakingsverzoek van 26 juli 2021
  • de schriftelijke reactie van de rechter van 2 augustus 2021
  • de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op
30 augustus 2021.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen. De rechter is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer AWB 21/902 tussen verzoeker en de ontvanger van de Belastingdienst, kantoor Heerlen. Deze procedure ziet, kort samengevat, op de rechtsgeldigheid van de aanslag inkomstenbelasting 2014.
2.2.
Verzoeker legt aan zijn wrakingsverzoek vier gronden ten grondslag en licht deze gronden bij de behandeling van het wrakingsverzoek nader toe. De eerste grond betreft de wijze waarop de rechter is omgegaan met de ter zitting getoonde mandaatbesluiten van de verschenen medewerkers van de Belastingdienst. Volgens verzoeker heeft de rechter onvoldoende aandacht gehad voor de rechtsgeldigheid van de getoonde machtigingen. De rechter heeft dit punt van verzoeker van tafel geveegd, waardoor verzoeker zich daarin niet serieus genomen voelt. Als gevolg hiervan heeft er ten onrechte geen verstekverlening plaatsgevonden, hetgeen volgens verzoeker eveneens een grond voor wraking oplevert. Als derde grond brengt verzoeker naar voren dat de griffier geen volledige aantekeningen heeft bijgehouden en alleen op aanwijzing van de rechter een en ander heeft opgenomen. Ter aanvulling daarop stelt verzoeker dat het later verstrekte proces-verbaal geen juiste weergave is van de zitting, omdat daarin ten onrechte is opgenomen dat hij ter zitting heeft ingestemd met het oordeel van de rechter omtrent de getoonde machtigingen. De vierde grond betreft volgens verzoeker de, vanwege de aard van het geschil, ongepaste en niet ter zake dienende vragen van de rechter. Hierbij gaat het volgens verzoeker onder meer om vragen naar wat zijn plannen zijn als hij ongelijk zou krijgen en wanneer hij van plan is te stoppen met de rechtszaken. Als laatste grond stelt verzoeker dat de rechter weigerde zijn pleitnota aan te nemen, een pleitnota waarin hij zijn eerder (net buiten de termijn) ingediende aanvulling nogmaals had opgenomen om veilig te stellen dat de aanvulling tot de processtukken zou behoren.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
Gezien de ernst van het (vermeende) gebrek dat aan het proces kleeft, moet het verzoek tot wraking worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden die aanleiding vormen tot het verzoek tot wraking, aan verzoeker bekend zijn geworden. Dit volgt uit artikel 8:16 van Pro de Awb. Na indiening van het wrakingsverzoek wordt de procedure direct geschorst. Zo wordt voorkomen dat de rechter proceshandelingen verricht gedurende een periode waarvan later wordt vastgesteld dat hij toen niet over de vereiste onpartijdigheid beschikte. Ook is beoogd onnodige vertraging van de rechtspleging te voorkomen.
3.3.
De feiten en omstandigheden die verzoeker voor de wraking heeft aangevoerd, hebben betrekking op het verloop van de zitting die op 13 juli 2021 heeft plaatsgevonden. Verzoeker was dus op 13 juli 2021 reeds bekend met de gronden van het wrakingsverzoek, maar heeft het wrakingsverzoek pas op 19 juli 2021 ingediend. In antwoord op de vraag naar een verklaring voor het tijdsverloop van zes dagen heeft verzoeker verklaard dat hij rustig wilde nadenken over wat er tijdens de zitting was gebeurd. Daarnaast ervaarde verzoeker een bepaalde mate van schroom om direct een dergelijk middel in te zetten. De vraag is echter of hierin een bijzondere omstandigheid kan worden gezien die de te late indiening rechtvaardigt. Hoewel zeker enige ruimte kan worden gegund om het verloop van een zitting te overdenken, heeft verzoeker verklaard dat hij tijdens de zitting het verloop van die zitting al als niet prettig heeft ervaren. Dit heeft in ieder geval geresulteerd in het diezelfde avond nog versturen van een bericht naar de griffie van de sector bestuursrecht waarin hij benadrukt dat de overgelegde machtigingen in zijn ogen niet rechtsgeldig zijn. Hieruit leidt de rechtbank af dat verzoeker reeds op dat moment tot de conclusie is gekomen dat hij het niet eens is met de gang van zaken, een conclusie die vervolgens pas zes dagen later heeft geleid tot het indienen van het wrakingsverzoek. In de aangevoerde angst om het middel van wraking in te zetten, ziet de rechtbank onvoldoende zwaarwegende grond om voorbij te gaan aan de wettelijke eis dat het verzoek tot wraking wordt ingediend zodra de feiten of omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden, temeer nu verzoeker ter zitting heeft gesteld over enige juridische kennis te beschikken en ervaring te hebben met het voeren van gerechtelijke procedures.
3.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoeker dan ook geen omstandigheden aangevoerd die de late indiening van het wrakingsverzoek rechtvaardigen. Dit leidt tot de conclusie dat het wrakingsverzoek te laat is ingediend, zodat verzoeker niet kan worden ontvangen in het wrakingsverzoek. Aan een inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek komt de rechtbank daarom niet toe.

4.De beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking.
Deze beslissing is gegeven door mr. D.S.M. Bak, mr. M.J.H. Schuurman en
mr. H.C. Leemreize in tegenwoordigheid van de griffier mr. [griffier] en in openbaar uitgesproken op 3 september 2021.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.