De zaak betreft een geschil tussen een werknemer en Wageningen Universiteit over de nakoming van een vaststellingsovereenkomst waarin de arbeidsovereenkomst eindigde per 12 augustus 2021. Door gewijzigde wetgeving omtrent de AOW-leeftijd stelde de werkgever dat de einddatum moest worden aangepast naar de nieuwe AOW-gerechtigde leeftijd van 12 december 2020.
De werknemer vorderde nakoming van de vaststellingsovereenkomst, met betaling van salaris en pensioenpremies tot de oorspronkelijke einddatum. Wageningen Universiteit voerde verweer met onder meer nietigheid van de vaststellingsovereenkomst wegens strijd met de CAO en wet, uitleg van de overeenkomst conform de gewijzigde AOW-leeftijd, en toepassing van redelijkheid en billijkheid en onvoorziene omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig is en dat de concrete datum in de overeenkomst niet kan worden gewijzigd door latere wetswijzigingen. De werknemer mocht erop vertrouwen dat het salaris tot 12 augustus 2021 zou worden doorbetaald. De verweren van Wageningen Universiteit faalden, ook omdat de werknemer niet was bijgestaan door een advocaat en zij op basis van de overeenkomst financiële verplichtingen was aangegaan.
De rechtbank wees de vordering van de werknemer toe tot betaling van salaris en pensioenpremies tot de afgesproken einddatum, met een gematigde wettelijke verhoging van 10%. De tegenvordering van Wageningen Universiteit tot wijziging van de overeenkomst werd afgewezen. Wageningen Universiteit werd veroordeeld in de proceskosten.