De rechtbank Gelderland behandelde een beroepszaak tegen een omgevingsvergunning voor het bouwen van 50 tijdelijke woningen op een perceel bestemd als bedrijfslocatie. Eiseres, eigenaar van het naastgelegen bedrijf, vreesde dat de vergunning haar huidige en toekomstige bedrijfsvoering zou beperken, met name door geluidsoverlast.
De vergunning was verleend voor tien jaar, met de mogelijkheid om af te wijken van het bestemmingsplan. De rechtbank oordeelde dat het feitelijk mogelijk en aannemelijk is dat de woningen zonder onomkeerbare gevolgen kunnen worden verwijderd, waardoor de tijdelijke vergunning terecht is verleend. Verder werd beoordeeld of de komst van de woningen de bedrijfsvoering van eiseres zou beperken volgens de milieuregels en planologische mogelijkheden.
Uit een akoestisch rapport bleek dat de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit niet worden overschreden. De richtafstanden tussen het bedrijf en de woningen voldeden nagenoeg aan de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”. Hoewel de afstand iets minder was dan de richtafstand, achtte de rechtbank dit verschil niet significant.
De rechtbank concludeerde dat de vergunning geen onaanvaardbare beperkingen oplegt aan de bedrijfsvoering van eiseres. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.