ECLI:NL:RBGEL:2021:5035

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 mei 2021
Publicatiedatum
21 september 2021
Zaaknummer
8365309
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 6 BWartikel 11 polisvoorwaardenartikel 1.1 samenwerkingsovereenkomstartikel 16 uitvoeringsregeling Wft
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzekeraar vordert terugbetaling schadevergoeding en onderzoekskosten na motorproblemen auto

De commanditaire vennootschap, gemachtigd namens Nationale Nederlanden, vordert terugbetaling van een schadevergoeding die aan de gedaagde is uitgekeerd wegens motorproblemen aan een auto. De gedaagde betwistte dat de motorproblemen bestonden vóór de brand, maar kon dit onvoldoende onderbouwen.

De rechtbank oordeelt dat de verzekeraar bevoegd is op eigen naam het verhaalsrecht uit te oefenen en dat de motorproblemen inderdaad bestonden en niet door de brand zijn veroorzaakt. Daarom moet de gedaagde het bedrag van € 3.206,00 terugbetalen.

Daarnaast worden de onderzoekskosten van € 2.460,25 toegewezen omdat de gedaagde niet eerlijk was over de motorproblemen. Ook de buitengerechtelijke incassokosten van € 796,56 worden toegewezen. De wettelijke rente wordt vanaf 28 oktober 2016 toegekend, en de gedaagde moet de proceskosten dragen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van schadevergoeding, onderzoekskosten, incassokosten en wettelijke rente.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Nijmegen
zaakgegevens 8365309 \ CV EXPL 20-686 \ 676 \ 40141
uitspraak van 21 mei 2021
vonnis
in de zaak van
de commanditaire vennootschap [eisende partij]
gevestigd te [vestigingsplaats]
eisende partij
gemachtigde mr. A.P.D.L. Vriends
tegen
[gedaagde partij]
wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
gemachtigde mr. I. van Bekkum
Partijen worden hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 4 december 2020 en de daarin genoemde processtukken;
- de e-mail van 3 februari 2021 van [eisende partij] ;
- de antwoordakte van 5 maart 2021 van [gedaagde partij] .

2.De verdere beoordeling van het geschil

2.1.
De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenvonnissen van 10 juli 2020 en 4 december 2020.
2.2.
[eisende partij] wordt ontvankelijk verklaard in haar vordering. Niet in geschil is dat [eisende partij] geen contractspartij is bij de onderhavige verzekeringsovereenkomst. Echter, uit hetgeen [eisende partij] onbetwist gesteld heeft en uit de door haar overgelegde producties (zie onder andere punt 17 repliek en het polisblad bijgevoegd als productie 9 bij dagvaarding) blijkt dat zij door Bovemij Verzekeringen en Nationale Nederlanden Schade N.V. gevolmachtigd is. Uit de volmacht, opgemaakt volgens bijlage A behorend bij artikel 16 uitvoeringsregeling Pro wft in samenhang met artikel 1.1. van de samenwerkingsovereenkomst tussen [eisende partij] en Nationale Nederlanden (poolleader), blijkt dat [eisende partij] namens Nationale Nederlanden schade uitkeringen mag verrichten en regres mag voeren. [eisende partij] is ook bevoegd, op grond van deze volmacht, om als procespartij op te treden in deze procedure. Dat [eisende partij] haar precieze hoedanigheid niet in het lichaam van de dagvaarding heeft vermeld, maar bij repliek en een akte nader heeft toegelicht maakt dit niet anders. Het door [gedaagde partij] aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 2 april 1993, NJ 1993, 573 ging over optreden in rechte namens een derde. De stelling van [eisende partij] in de onderhavige situatie is dat zij bevoegd is op eigen naam het verhaalsrecht van Nationale Nederlanden uit te oefenen. In dat geval is het niet nodig om in (het lichaam van) de dagvaarding de volmacht al te vermelden, maar kan dit ook (pas) als het verweer daartoe aanleiding geeft. Vergelijk HR 26 februari 2010, NJ 2011, 474.
2.3.
[gedaagde partij] betwist dat de auto motorproblemen had, waardoor er met de auto niet gereden kon worden, vóór de brand. [eisende partij] heeft haar stelling dat sprake was van zodanige motorproblemen onderbouwd met een verklaring van de opkoper van de auto en een rapport van CED van 30 maart 2016. De opkoper had niets gedemonteerd. Hem was gebleken, na compressiemeting van het restant van de auto, dat de motor op twee cilinders geen compressie had. Na technisch onderzoek aan de motor door CED was de conclusie van CED dat de gebreken aan de motor het gevolg waren van een eigen gebrek en niet ontstaan waren door de brand. Volgens CED kon met het voertuig onmogelijk gereden worden met een gebroken nokkenas. Gelet op deze onderbouwing door [eisende partij] had het op de weg van [gedaagde partij] gelegen om zijn betwisting nader toe te lichten. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft hij dit, door enkel alternatieve mogelijkheden voor de motorproblemen te opperen, onvoldoende gedaan zodat het verweer niet slaagt. De vordering van [eisende partij] tot terugbetaling van het door haar aan [gedaagde partij] uitgekeerde bedrag aan schadevergoeding ten bedrage van € 3.206,00, omdat die betaling ten onrechte blijkt te zijn gedaan, wordt toegewezen.
2.4.
Ook het door [eisende partij] gevorderde bedrag van € 2.460,25 aan onderzoekskosten zal worden toegewezen. De hoogte van dit bedrag aan schadevergoeding is door [gedaagde partij] niet betwist. Op grond van artikel 11 van Pro de polisvoorwaarden werd van [gedaagde partij] verwacht dat hij eerlijk zou zijn in de informatie die hij verstrekte. Dat is hij niet geweest rondom de motorproblemen en daarom kan schade die [eisende partij] daardoor geleden heeft op hem verhaald worden. [eisende partij] heeft kosten gemaakt door een (nader) onderzoek in te stellen naar aanleiding van de schademelding van [gedaagde partij] , welke kosten als schade kwalificeren.
2.5.
De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. [eisende partij] heeft voldoende aangetoond dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht dan wel heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. [gedaagde partij] heeft niet betwist dat de aanmaningen door hem zijn ontvangen. De aanmaningen voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro (14 dagen termijn). Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten ad € 796,56 inclusief btw is in overeenstemming met de gebruikelijke en redelijke tarieven en wordt daarom toegewezen.
2.6.
De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 28 oktober 2016. Dat is vier weken na de brief van 30 september 2016 waarin [eisende partij] het bedrag van € 5.666,25 van [gedaagde partij] terugvorderde. Vanaf 28 oktober 2016 was [gedaagde partij] in verzuim. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde partij] eerder in verzuim was. Daarom wordt het bedrag aan verschenen wettelijke rente van € 453,94, gerekend vanaf 28 maart 2016, niet toegewezen.
2.7.
[gedaagde partij] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] een bedrag van € 5.666,25 aan hoofdsom te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 oktober 2016 tot aan de dag van algehele voldoening;
3.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] een bedrag van € 796,56 inclusief btw te betalen aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 17 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;
3.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [eisende partij] vastgesteld op € 86,85 aan dagvaardingskosten, € 499,00 aan griffierecht en € 777,50 aan salaris voor de gemachtigde;
3.4.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2021.