ECLI:NL:RBGEL:2021:5273

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 oktober 2021
Publicatiedatum
5 oktober 2021
Zaaknummer
21-3963 en 21-4236
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:41 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens misbruik van recht en niet-betaling griffierecht

Verzoeker heeft voor de zesde keer een voorlopige voorziening gevraagd tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe. Deze verzoeken zijn ingediend in lopende procedures waarin bezwaar en beroep zijn ingesteld tegen eerdere besluiten.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het griffierecht in beide procedures niet binnen de gestelde termijn is voldaan, ondanks meerdere aanmaningen. Verzoeker heeft verzocht om ontheffing van betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht, maar dit verzoek is afgewezen.

De voorzieningenrechter overweegt dat het indienen van herhaalde vrijwel identieke verzoeken om voorlopige voorziening, waarvan verzoeker weet dat deze kansloos zijn, misbruik van recht oplevert. Dit oordeel is gebaseerd op jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Tevens is geen aanleiding om ontheffing van het griffierecht te verlenen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Verzoeken om voorlopige voorziening worden niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en misbruik van recht.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: 21/3963 en 21/4236

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epete Epe, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2021 heeft verweerder een plan van aanpak naar verzoeker toegestuurd met het verzoek dit te ondertekenen en te retourneren. Bij besluit van 8 juni 2021 is verzoekers bezwaar ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer 21/3100. Daarnaast is door verzoeker op 27 augustus 2021 voor de zesde keer verzocht om een voorlopige voorziening. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer 21/3963.
Voor de gedingstukken is namens verweerder verwezen naar de eerder tussen partijen gevoerde procedures onder registratienummers 21/924, 21/1564, 21/1814, 21/3182 en
21/ 3684.
Bij besluit van 14 september 2021 is door verweerder verzoekers aanvraag voor bijzondere bijstand voor betaling van het griffierecht in het verzoek om voorlopige voorziening onder registratienummer 21/3963 afgewezen. Door verzoeker is tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer 21/4236.

Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Ingevolge artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, onder meer indien het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om ter zitting te verschijnen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet laatstbedoelde situatie zich in het onderhavige geval voor.
Ingevolge artikel 8:82, eerste lid, van de Awb wordt van degene die bij de voorzieningenrechter een verzoek om voorlopige voorziening indient, griffierecht geheven.
Conform artikel 8:82, derde lid, in samenhang met artikel 8:41, vierde lid, van de Awb is bij aangetekende brief van 28 augustus 2021 in de procedure onder nummer 21/3963 en bij aangetekende brief van 17 september 2021 in de procedure onder nummer 21/4236 door de griffier aan verzoeker meegedeeld dat het griffierecht binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling moet zijn bijgeschreven op de bankrekening van de rechtbank. Voorts is er in die mededeling verwezen naar de internetpagina van het gerecht voor overige betalingsmogelijkheden. Tevens is bij deze brieven meegedeeld dat, indien het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn is bijgeschreven, het verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
Vast staat dat het griffierecht in beide procedures niet binnen voormelde termijnen is voldaan.
Uit hetgeen verzoeker heeft aangevoerd kan worden afgeleid dat verzoeker onder meer heeft beoogd om ontheffing van betaling van het griffierecht te verkrijgen. Verzoeker stelt onder meer dat hem ten onrechte deze mogelijkheid wordt onthouden en dat met de uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 augustus 2021 hem onrecht is aangedaan.
In zijn uitspraak van 23 augustus 2021 [1] is door de voorzieningenrechter overwogen:
“De voorzieningenrechter wijst verzoeker erop dat dit het vijfde, vrijwel identieke, verzoek om een voorlopige voorziening is. De voorzieningenrechter zal bij een volgend vergelijkbaar verzoek om een voorlopige voorziening het verzoek om ontheffing van het griffierecht niet meer toewijzen wegens misbruik van recht van de zijde van verzoeker door telkens vergelijkbare verzoeken in te dienen, waarvan hem bekend is dat deze kansloos zijn.”
De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtsrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 12 oktober 2016 [2] . In die uitspraak is overwogen dat het door een rechtzoekende, wiens beroep op betalingsonmacht eenmaal door de bestuursrechter is gehonoreerd, veelvuldig — al dan niet (nagenoeg) tegelijkertijd — starten van procedures waarin telkens een beroep op betalingsonmacht wordt gedaan, de bestuursrechter onder omstandigheden tot de slotsom kan komen dat sprake is van misbruik van recht. Indien de bestuursrechter tot het oordeel komt dat een rechtzoekende misbruik van recht maakt, kan hij een beroep op betalingsonmacht afwijzen, ook al blijkt dat het inkomen van die rechtzoekende minder bedraagt dan (destijds 90% en tegenwoordig) 95% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm. Deze overwegingen van de ABRvS zijn door de Centrale Raad van Beroep onderschreven en overgenomen [3] .
In het zesde verzoek om voorlopige voorziening is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van misbruik van recht en is met inachtneming van de hiervoor genoemde jurisprudentie geen aanleiding om ontheffing van betaling van het griffierecht te verlenen. Nu het besluit van verweerder van 14 september 2021 in direct verband staat met het zesde verzoek om een voorlopige voorziening is er evenmin aanleiding om ontheffing van betaling van het griffierecht te verlenen in de procedure onder nummer 21/4236.
De conclusie is dat verzoeker in beide verzoeken om voorlopige voorziening in verzuim is. Om die reden wordt verzoeker in zijn verzoeken om voorlopige voorziening niet ontvangen.
Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van H. de Groot, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.