Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Leeuwarden, verweerder.
Procesverloop
29 oktober 2020, beroep ingesteld.
Overwegingen
22 september 2017 heeft eiser samen met zijn partner het gedeelte van de onroerende zaak waarin hij zijn tandartspraktijk uitoefent alsmede de daaraan grenzende ruimte gekocht. Dit gedeelte is in oktober 2017 geleverd.
Op 9 juni 2020 hebben eiser en zijn partner het overige gedeelte van het gezondheidscentrum gekocht met de bedoeling dat gedeelte te slopen en er een woning te bouwen (het overige gedeelte).
De verkoper is [naam 4] (de stichting). De stichting heeft het gezondheidscentrum feitelijk gesplitst vóór de levering van het overige gedeelte. Volgens eiser zijn hierbij de volgende werkzaamheden uitgevoerd:
- Het afkoppelen van de riolering in het gedeelte dat eigendom bleef van de stichting;
- Het afkoppelen van het gas-, water- en elektriciteitsnet in het gedeelte dat eigendom bleef van de stichting;
- Het optrekken van een nieuwe buitenmuur aan de zijde van de tandartspraktijk.
8 september 2020 [1] . Subsidiair voert eiser aan dat het overige gedeelte na de bij de feitelijke splitsing uitgevoerde werkzaamheden een kluspand danwel een ‘geenaardig bouwwerk’ is geworden dat niet meer met eenvoudige ingrepen dienst kan doen als bedrijfsruimte.
24 februari 2017 [3] aan het begrip ‘woning’ nadere invulling gegeven. De beoordeling of de onroerende zaak ‘naar zijn aard voor bewoning bestemd is’ dient volgens de Hoge Raad te geschieden met toepassing van een zo objectief mogelijke maatstaf, dat wil zeggen een maatstaf die zoveel mogelijk aanknoopt bij de kenmerken van het bouwwerk zelf. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bijvoorbeeld een woning in aanbouw ook een ‘woning’ is in de zin van artikel 14, tweede lid, van de WBR, maar dat dat niet geldt voor grond die bestemd is voor woningbouw. Aanknoping bij de kenmerken van het bouwwerk zelf wordt in beginsel bereikt door aansluiting te zoeken bij het doel waarvoor de onroerende zaak oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd, aldus de Hoge Raad. Hieruit volgt dat een enkele bestemmingswijziging gevolgd door een omgevingsvergunning wonen niet leidt tot ‘een woning’. De uitspraak van deze rechtbank van 8 september 2020 maakt dit niet anders, omdat in die zaak sprake was van aanhorigheden. Gelet op het voorgaande faalt eisers primaire stelling.
Beslissing
mr. J.J.J. Engel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg, griffier.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;