ECLI:NL:RBGEL:2021:562
Rechtbank Gelderland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek zorgmachtiging op grond van zelfbindingsverklaring Wvggz
Betrokkene heeft samen met zijn zorgverantwoordelijke een zelfbindingsverklaring opgesteld op grond van artikel 4:1 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), geldig tot 21 april 2021. De officier van justitie verzocht de rechtbank om een zorgmachtiging te verlenen aansluitend op deze verklaring vanwege vermoedelijk ernstig nadeel door een psychiatrische stoornis.
Tijdens de mondelinge behandeling, gehouden via beeldbellen vanwege COVID-19, zijn de advocaat van betrokkene, de officier van justitie en betrokken zorgverleners gehoord. Betrokkene zelf wilde niet worden gehoord. De zorgverleners gaven aan dat betrokkene zijn medicatie over het algemeen inneemt, geen duidelijke psychose vertoont en het contact met de ambulante hulpverlening niet ontwijkt. De advocaat voerde aan dat de voorwaarden voor een zorgmachtiging niet zijn vervuld, omdat op dit moment geen sprake is van ernstig nadeel zoals genoemd in de zelfbindingsverklaring.
De rechtbank concludeerde dat onvoldoende is gebleken dat betrokkene ernstig nadeel ondervindt waarvoor verplichte zorg noodzakelijk is. De vermeende cannabisgebruik en dreigementen waren onvoldoende onderbouwd en lijken achterhaald. Gezien deze omstandigheden is niet voldaan aan de criteria voor verplichte zorg volgens de Wvggz, zodat het verzoek tot zorgmachtiging werd afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging wordt afgewezen wegens het ontbreken van ernstig nadeel en noodzaak tot verplichte zorg.