ECLI:NL:RBGEL:2021:5908

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 november 2021
Publicatiedatum
5 november 2021
Zaaknummer
05/881373-18
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van twee broers voor langdurige cocaïnehandel als lopers

De rechtbank Gelderland heeft op 5 november 2021 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen twee broers uit Doesburg, van 37 en 34 jaar oud, die gedurende ongeveer anderhalf jaar cocaïne hebben verpakt en verkocht. De verdachten werden als 'lopers' aangemerkt, die geen grote winsten maakten maar hooguit hun eigen drugsgebruik konden bekostigen.

De tenlastelegging betrof het bewerken, verwerken, vervoeren en aanwezig hebben van cocaïne, alsmede het verkopen en afleveren van kleine hoeveelheden cocaïne aan meerdere personen. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachten deze feiten hebben gepleegd.

De verdediging voerde geen bewijsverweer, maar wees op de openheid van de verdachten, hun kwetsbaarheid en verminderd toerekeningsvatbaarheid. De rechtbank hield rekening met deze persoonlijke omstandigheden, het tijdsverloop en het feit dat de hulpverlening goed verloopt. Daarom werd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend geacht.

De rechtbank legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden op, met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 150 uur. De straf is mede bedoeld om toekomstige strafbare feiten te voorkomen. De tijd die de verdachten in verzekering zijn geweest, wordt in mindering gebracht op de taakstraf.

Uitkomst: Voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en een taakstraf van 150 uur opgelegd aan de verdachten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/881373-18
Datum uitspraak : 5 november 2021
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .
Raadsman: mr. J. Zeegers, advocaat in Doetinchem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
22 oktober 2021.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks 01 februari 2017 tot en met 28 augustus 2018, te Doetinchem en/of in de gemeente Doesburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid (5 en/of 10 gram) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2017 tot en met 28 augustus 2018, in de gemeente Doesburg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging
met (een) ander(en) en/of alleen (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of een of meer andere pers(o)n(en) een hoeveelheid van (ongeveer) 0,5 en/of 1 gram cocaïne, in elk geval (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde
lid van artikel 3a van die wet.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Verdachte is een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen feit 1
- het proces-verbaal van verhoor van verdachte J. Verhoef, p. 589-592;
- het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 777-778 en 782-783.
Bewijsmiddelen feit 2
- het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] , p. 721-722;
- het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 1] , p. 533-539;
- het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 2] , p. 575-579;
- het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 3] , p. 561-565;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 540-541;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 553-555;
- het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 777-778 en 782-783.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij in
of omstreeksde periode van 01 februari 2017 tot en met 28 augustus 2018, te Doetinchem en/of in de gemeente Doesburg,
in elk geval in Nederland,tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen,meermalen
, althans eenmaal, (telkens
)opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of vervoerd,
in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehadeen
hoeveelheid (5 en/of 10 gram) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne
(telkens
)een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op
één of meertijdstippen in
of omstreeksde periode van 1 februari 2017 tot en met 28 augustus 2018, in de gemeente Doesburg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met
(een
)ander
(en) en/of alleen, (telkens
)opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan [naam 1] en
/of[naam 2] en
/of[naam 3] en
/of een of meerandere
pers
(o
)n
(en
)een hoeveelheid van
(ongeveer
)0,5 en/of 1 gram
cocaïne, in elk geval (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en)van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne
(een
)middel
(en)als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2:medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, en daarnaast een taakstraf van 240 uur, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering gesteld is geweest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte direct open kaart heeft gespeeld. Verder heeft hij gewezen op de kwetsbaarheid van verdachte en benoemd dat verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Ten slotte is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft samen met zijn broer gedurende een periode van ongeveer anderhalf jaar cocaïne gedeald. Zij hebben daarmee het gebruik van dat middel door anderen mogelijk gemaakt. De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn broer als ‘lopers’ hebben gefunctioneerd en dat niet is gebleken dat zij grote geldbedragen hebben verdiend met de handel. Zij hebben hooguit kunnen voorzien in hun eigen drugsgebruik. Verdachte is daar al bij de politie open over geweest.
Er is geen reclasseringsadvies over verdachte beschikbaar. Hij heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat hij begeleiding (vanuit de gemeente) krijgt en een uitkering heeft. Verdachte heeft daarnaast naar voren gebracht dat hij op een wachtlijst staat voor opname in een verslavingskliniek.
Uit het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister volgt dat er geen sprake is van relevante veroordelingen.
De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval niet passend is. Hierbij wijst de rechtbank op het aanzienlijke tijdsverloop en op de persoon en omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft ter zitting begrepen dat de hulpverlening op dit moment goed verloopt en zij wil die hulpverlening en de opname in de verslavingskliniek ook niet doorkruisen door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Een voorwaardelijke gevangenisstraf vindt de rechtbank wel nodig om ervoor te zorgen dat verdachte in de toekomst andere keuzes maakt en zich niet laat verleiden om weer strafbare feiten te plegen.
Gelet op de eerdergenoemde omstandigheden en de rol van verdachte komt de rechtbank tot oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en een taakstraf van 150 uur, met een aftrek voor de tijd die verdachte al in verzekering heeft doorgebracht.
De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf rekening gehouden met het op de dagvaarding vermelde ad informandum gevoegde feit, dat door verdachte is bekend. Daarmee is dit feit afgedaan.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet.

9.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden;
 bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft maakt aan een strafbaar feit;
 legt op een taakstraf van 150 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;
 beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Snijders (voorzitter), mr. R. Raat en mr. S.P.H. Brinkman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 november 2021.
mr. Snijders en mr. Brinkman zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Recherche Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossier ON3201806 (onderzoek Pleonasme), gesloten op 26 november 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.