Eiser, een politiemedewerker, ontving een schadevergoeding van €1.750 wegens het onterecht geweigerd worden van ontheffing van werkzaamheden onder de remplaçantenregeling. De werkgever hield hierop €666,75 loonheffing in, wat eiser betwistte. De rechtbank overwoog dat de vergoeding voortvloeit uit de dienstbetrekking, omdat zonder deze dienstbetrekking geen recht op de regeling en dus ook geen schadevergoeding zou bestaan.
Eiser stelde dat de vergoeding niet tot het loon behoorde omdat het een forfaitair bedrag was en haar oorsprong in het bestuursrecht had. De rechtbank verwierp dit standpunt en verwees naar artikel 10, eerste lid, Wet LB, dat loon omvat hetgeen genoten wordt uit een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking, ook vergoedingen in dat kader.
De rechtbank maakte onderscheid met een arrest van de Hoge Raad over een dwangsom die niet uit de dienstbetrekking voortkwam, omdat hier de vergoeding door de werkgever in diens hoedanigheid als werkgever werd betaald. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.