ECLI:NL:RBGEL:2021:6705

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 december 2021
Publicatiedatum
14 december 2021
Zaaknummer
C/05/365466 / HA ZA 20-80
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T.P.E.E. van Groeningen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 2 BWArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking vorderingen schadevergoeding door verzekeraar na deskundigenbericht

In deze civiele zaak vordert Nationale-Nederlanden (NN) namens haar benadeelde verzekerde schadevergoeding wegens schade door een omgevallen boom. De vorderingen zijn gericht tegen meerdere gedaagden, waaronder een gemeente, een hovenier en een boomveiligheidscontroleur.

Na het deskundigenbericht heeft NN haar vorderingen ingetrokken, waarmee zij feitelijk haar eis tot nihil heeft verminderd. Hierdoor resteert geen inhoudelijke vordering meer waarover de rechtbank moet beslissen. De rechtbank oordeelt dat NN als eiser in het ongelijk staat en veroordeelt haar daarom in de proceskosten van de gedaagden.

Er is geen sprake van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door NN, aangezien haar vorderingen niet evident ongegrond waren en mede gebaseerd waren op een partijdeskundigenrapport. De gevorderde proceskosten worden begroot conform het standaard liquidatietarief. Ook een tegenvordering van een gedaagde wordt afgewezen wegens het ontbreken van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding.

De rechtbank veroordeelt NN in de proceskosten van alle gedaagden en verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. De vorderingen in reconventie worden afgewezen.

Uitkomst: Nationale-Nederlanden trekt haar vorderingen in en wordt veroordeeld in de proceskosten van de gedaagden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/365466 / HA ZA 20-80
Vonnis van 15 december 2021
in de zaak van
de naamloze vennootschap
NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Den Haag,
eiseres in conventie,
verweerster in voorwaardelijke reconventie,
advocaat mr. L.H. Rijpkema te Den Haag,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[ged.conv. 1] .,
gevestigd te [plaats] ,
2.
[ged.conv. 2],
wonende te [plaats] ,
3.
[ged.conv.3],
wonende te [plaats] ,
4.
[ged.conv.4],
wonende te [plaats] ,
gedaagden in conventie,
advocaat mr. M.J.W. Hoek te Alphen aan den Rijn,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[ged.conv. 5/eis.reconv.] .,
gevestigd te [plaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in voorwaardelijke reconventie,
advocaat mr. R.J. Wevers te 's-Hertogenbosch,
6. de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE 'S-HERTOGENBOSCH,
zetelend te 's-Hertogenbosch,
gedaagde in conventie,
advocaat mr. J.J. Jacobse te Middelburg.
Partijen zullen hierna enerzijds NN en anderzijds [gedn.1 tm 4] (gedaagden sub 1 tot en met 4), [ged.conv. 5/eis.reconv.] en de gemeente genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 31 maart 2021
  • het deskundigenbericht
  • de conclusie na deskundigenbericht van NN
  • de rolbeslissing van 26 oktober 2021
  • de antwoordakten [gedn.1 tm 4] , [ged.conv. 5/eis.reconv.] en de gemeente.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

in conventie

2.1.
Blijkens de conclusie na deskundigenbericht heeft NN in de bevindingen van de deskundige aanleiding gezien van haar vorderingen af te zien. Het opschrift van de conclusie vermeldt dat deze de intrekking van haar vordering betreft. Aldus heeft NN klaarblijkelijk haar eis tot nihil verminderd. Er resteren dan geen vorderingen waarover moet worden beslist.
2.2.
Dit laat onverlet dat over de proceskosten zal moeten worden geoordeeld. Gegeven de eisvermindering is NN ten opzichte van alle gedaagden te beschouwen als de in het ongelijk gestelde partij. Zij zal daarom in de proceskosten van gedaagden worden veroordeeld. In hun antwoordakten hebben gedaagden verzocht om een veroordeling in de volledige proceskosten, althans om deze kosten ruimer dan volgens het standaard liquidatietarief te begroten. Vooruitlopend op deze standpunten heeft NN in haar conclusie reeds betwist dat daarvoor een toereikende grondslag bestaat en begroting van de proceskosten volgens het normale tarief bepleit.
2.3.
Voor een integrale proceskostenveroordeling kan aanleiding bestaan bij misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM Pro. Zie HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828.
2.4.
[gedn.1 tm 4] en [ged.conv. 5/eis.reconv.] hebben niet gesteld dat NN de tegen hen ingestelde vorderingen willens en wetens heeft gebaseerd op onjuiste feiten en omstandigheden en zij hebben ook onvoldoende aanknopingspunten ervoor geboden dat NN had moeten weten dat die feiten en omstandigheden onjuist waren of dat haar stellingen geen kans van slagen hadden. NN heeft aanleiding gezien vorderingen aan de rechter voor te leggen die weliswaar buiten rechte uitvoerig waren weersproken maar die niet van iedere grond waren ontbloot en waaraan mede een partijdeskundigenrapport ten grondslag lag. Na bewijslevering in rechte heeft zij geaccepteerd dat haar vorderingen niet toewijsbaar zijn. Van misbruik van recht of onrechtmatig handelen kan dan niet worden gesproken.
2.5.
Er is evenmin aanleiding om de kosten ruimer te begroten dan conform het liquidatietarief, zoals [gedn.1 tm 4] en de gemeente hebben verzocht. Deze zaak en het verloop ervan onderscheiden zich daarvoor onvoldoende van de gemiddelde zaak.
2.6.
De kosten aan de zijde van [gedn.1 tm 4] , [ged.conv. 5/eis.reconv.] en de gemeente worden voor deze gedaagden afzonderlijk steeds begroot op:
- griffierecht € 2.042,00
- salaris advocaat
2.685,00(2,5 punten × tarief € 1.074,00)
Totaal € 4.727,00
2.7.
De gevorderde veroordelingen in de nakosten zijn toewijsbaar
in voorwaardelijke reconventie
2.8.
[ged.conv. 5/eis.reconv.] heeft haar eis ingesteld onder de voorwaarde dat de vorderingen van NN geheel worden afgewezen. Strikt genomen is van afwijzing van de vorderingen van NN geen sprake. Gegeven echter de reductie van die vorderingen tot nihil en de aanleiding daarvoor, brengt een redelijke uitleg van deze voorwaarde mee dat zij vervuld moet worden geacht. Op de eis zal daarom worden beslist.
2.9.
De vordering van [ged.conv. 5/eis.reconv.] strekt ertoe dat de rechtbank NN zal veroordelen om bedragen van € 1.758,55 en € 4.602,00 exclusief btw aan [ged.conv. 5/eis.reconv.] te betalen. Volgens [ged.conv. 5/eis.reconv.] heeft zij deze bedragen besteed aan buitengerechtelijke werkzaamheden van haar eigen medewerkers respectievelijk van haar advocaat, die nodig waren om zich tegen de vordering van NN te verweren. [ged.conv. 5/eis.reconv.] heeft haar vordering gebaseerd op art. 6:96 lid 2 BW Pro. Voor de toepassing van die bepaling is echter een wettelijke verplichting van NN tot schadevergoeding vereist, zoals NN terecht opwerpt. Uit de beoordeling in conventie volgt dat niet kan worden aangenomen dat het instellen van de vordering jegens [ged.conv. 5/eis.reconv.] onrechtmatig was. Een andere grondslag voor het aannemen van een schadevergoedingsverplichting van NN heeft [ged.conv. 5/eis.reconv.] niet gesteld. De vordering van [ged.conv. 5/eis.reconv.] is daarom niet toewijsbaar. Vergelijk HR 27 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2404, r.o. 3.5 en HR 8 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV3384, r.o. 3.14.
2.10.
[ged.conv. 5/eis.reconv.] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van NN worden begroot op:
- salaris advocaat €
543,00(2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 543,00)
Totaal € 543,00

3.De beslissing

De rechtbank
in conventie
3.1.
veroordeelt NN in de proceskosten, aan de zijde van [gedn.1 tm 4] tot op heden begroot op € 4.727,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de 15e dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt NN in de na dit vonnis aan de zijde van [gedn.1 tm 4] ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat NN niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,
3.3.
veroordeelt NN in de proceskosten, aan de zijde van [ged.conv. 5/eis.reconv.] tot op heden begroot op € 4.727,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de 15e dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
3.4.
veroordeelt NN in de na dit vonnis aan de zijde van [ged.conv. 5/eis.reconv.] ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat NN niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen met ingang van de 15e dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
3.5.
veroordeelt NN in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 4.727,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
3.6.
veroordeelt NN in de na dit vonnis aan de zijde van de gemeente ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat NN niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,
3.7.
verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
3.8.
wijst de vorderingen af,
3.9.
veroordeelt [ged.conv. 5/eis.reconv.] in de proceskosten, aan de zijde van NN tot op heden begroot op € 543,00,
3.10.
verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2021.