ECLI:NL:RBGEL:2021:6714

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 december 2021
Publicatiedatum
14 december 2021
Zaaknummer
C/05/386868 / HZ ZA 21-141
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 RVVArt. 17 RVVArt. 18 RVVArt. 54 RVVArt. 141 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Regresprocedure inzake botsing tussen links inhaalende motorfiets en links afslaande auto

In deze regresprocedure tussen verzekeraars Achmea en Reaal staat de toedracht van een ongeval centraal waarbij een motorfiets links inhaalde terwijl een auto linksaf sloeg. De rechtbank heeft geoordeeld dat Achmea alleen regresrecht toekomt indien haar verzekerde een vordering heeft op de bestuurder van de afslaande auto. Omdat de precieze volgorde van manoeuvres niet vaststond, werd Achmea opgedragen bewijs te leveren over het tijdstip van het aanzetten van de richtingaanwijzer en het voorsorteren van de auto.

Achmea liet een verkeersongevallenanalyse uitvoeren die concludeerde dat de afslaande bestuurder de naderende motorfiets had kunnen zien en dat de motorfiets reeds met inhalen was begonnen toen de auto afsloeg. Achmea stelde dat de auto in strijd met verkeersregels handelde door de motorfiets niet voor te laten gaan. Reaal betwistte de analyse en stelde dat de auto eerst zijn richtingaanwijzer aanzette en snelheid verminderde voordat de motorfiets begon in te halen.

De rechtbank oordeelde dat het aanzetten van de richtingaanwijzer het begin van de bijzondere manoeuvre afslaan markeert en dat de auto als eerste deze manoeuvre inzette. Hierdoor moest de motorfiets de auto voor laten gaan. Achmea kon niet overtuigend aantonen dat de auto niet had voorgesorteerd en richting had aangegeven. De vorderingen van Achmea werden daarom afgewezen. De rechtbank vernietigde het eerdere verstekvonnis en wees de kostenverdeling toe zoals in het vonnis vermeld.

Uitkomst: De vorderingen van Achmea worden afgewezen omdat de automobilist als eerste de bijzondere manoeuvre inzette en de motorrijder voorrang had moeten verlenen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zutphen
zaaknummer / rolnummer: C/05/386868 / HZ ZA 21-141
Vonnis in verzet van 15 december 2021
in de zaak van
de naamloze vennootschap
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
eiseres,
gedaagde in het verzet,
advocaat mr. G.S.E. van Helden te Arnhem,
tegen
de naamloze vennootschap
VIVAT SCHADEVERZEKERINGEN N.V., rechtsvoorgangster van Reaal Verzekeringen N.V., mede handelend onder de naam REAAL VERZEKERINGEN,
gevestigd te Amstelveen,
gedaagde,
eiseres in het verzet,
advocaat mr. M.D. Spruit te Ermelo.
Partijen zullen hierna Achmea en Reaal genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 18 augustus 2021
  • het herstelvonnis van 14 september 2021
  • de akte van 13 oktober 2020 van Achmea
  • de antwoordakte van 10 november 2020 van Reaal.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij tussenvonnis van 18 augustus 2021 heeft de rechtbank geoordeeld dat Achmea alleen een regresrecht toekomt als haar verzekerde [betrokkene 1] een vordering tot schadevergoeding heeft op [betrokkene 2] , verzekerd bij Reaal. Omdat de toedracht van het ongeval tussen de links passerende motorrijder [betrokkene 1] en de met de auto links afslaande auto [betrokkene 2] niet vaststaat, heeft de rechtbank Achmea bij herstelvonnis van 14 september opgedragen te bewijzen dat [betrokkene 2] zijn richtingaanwijzer heeft uitgezet en heeft voorgesorteerd, nadat [betrokkene 1] met zijn inhaalmanoeuvre is begonnen.
2.2.
Achmea heeft in het kader van het haar opgedragen bewijs aan Meuwissen Verkeers Ongevallen Analyse (hierna: Meuwissen) gevraagd een ongevalanalyse uit te voeren ter beantwoording van de vraag waar de betrokken motorfiets ( [merk 1] ) zich bevond ten opzichte van de afslaande personenauto ( [merk 2] ), toen [betrokkene 2] besloot af te slaan.
Meuwissen heeft hierbij het volgende tot uitgangspunt genomen:
“▪
De snelheid van de [merk 2] heb ik gesteld op 30 km/h; dit volgens de stelling door of vanwege de [merk2-bestuurder] .
▪ De naderingssnelheid van de [merk 1] was volgens opgave zo tussen 70 á 80 km/h. Dat was echter niet de botssnelheid; die moet lager zijn geweest. Niet alleen omdat er werd geremd voor de botsing, maar dat moet ook zo zijn geweest gezien het schadebeeld tijdens de botsing. (…)
▪ Nu er een remblokkeerspoor is afgetekend weten wij ook zeker dat de [merk1-bestuurder] krachtig heeft geremd én dat vóór die remming de zogenaamde reactietijd van de mens heeft gelegen. Een snelle reactietijd zet ik op 0,8 seconde.
▪ Vóór dit remblokkeerspoor, dat vrijwel recht loopt, moet dan de rijstrookwisseling van de [merk 1] ten behoeve van het (gaan) inhalen hebben plaatsgevonden. Voor zo’n wisseling is tijd nodig, die voor een motorfiets “anders” gezien moet worden als het wisselen van rijstrook met bijvoorbeeld een personenauto. Hieronder volgt een uitleg met verwijzing naar de figuur rechts, zijnde de afbeelding 2.6.8 uit de vakbundel Unfall Rekonstruktion.
(…)
Daarna volgt een analyse waar de [merk 1] zich ten opzichte van de [merk 2] heeft bevonden in de verschillende fases.
Meuwissen sluit als volgt af:

Kortom, het is mogelijk dat de [merk2-bestuurder] de van achter naderende [merk 1] tot een moment niet heeft kunnen zien vanwege de achter hem rijdende auto van de getuige.
Echter tijdens een aan te nemen spiegel- en beslismoment om af te gaan slaan en zeker kort voor en tijdens de inleiding om af te (gaan) slaan, bevond de naderende [merk 1] zich op een afstand van zo’n 30 tot 15 meter achter de [merk 2] en had de [merk2-bestuurder] , indien gespiegeld, de naderende [merk1-bestuurder] wel kunnen zien.
Tot zover mijn bevindingen en visie.”
Achmea stelt zich op het standpunt dat uit het feit dat de botsing plaatsvond net nadat [betrokkene 2] naar links stuurde, kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] zich al naast dan wel links achter de auto van [betrokkene 2] bevond toen [betrokkene 2] zijn manoeuvre inzette. Volgens Achmea is vast komen te staan dat zowel op het moment van daadwerkelijk afslaan als tijdens het spiegel- en beslismoment [betrokkene 1] al was begonnen met inhalen en bovendien dat [betrokkene 2] [betrokkene 1] had kunnen waarnemen op beide momenten. Daarom had [betrokkene 2] [betrokkene 1] voor moeten laten gaan. Door dit na te laten heeft [betrokkene 2] in strijd met artikel 18 en Pro 54 RVV gehandeld. De vraag of [betrokkene 2] zijn richtingaanwijzer heeft aangezet en heeft voorgesorteerd kan in het midden worden gelaten, omdat dit [betrokkene 2] niet ontheft van de ingevolge artikel 18 RVV Pro op hem rustende verplichting voorrang te verlenen aan inhalend verkeer.
2.3.
Reaal voert aan dat de verkeersongevallenanalyse van Meuwissen niet gericht is op de bewijsopdracht, zoals de rechtbank die aan Achmea heeft opgedragen. Achmea heeft zich uitsluitend gericht op de vraag of [betrokkene 2] [betrokkene 1] , voordat hij linksaf sloeg, had kunnen zien. Hiermee miskent Achmea de relevantie van de handelingen die [betrokkene 2] uitvoerde vóórdat hij naar links afsloeg. [betrokkene 2] zal eerst via de spiegel achter zich gekeken hebben of inhalend verkeer zichtbaar was, vervolgens zal hij zijn richtingaanwijzer hebben uitgezet en hebben voorgesorteerd en hebben gelet op het tegemoetkomende verkeer om dan linksaf te slaan. Het feitelijke spiegel- en beslismoment valt niet samen met het spiegel- en beslismoment dat Meuwissen heeft aangehouden. Bovendien heeft [betrokkene 2] na het uitzetten van de richtingaanwijzer snelheid geminderd en gecontroleerd of de achter hem rijdende personenauto ( [betrokkene 3] ) ook zijn snelheid verminderde. De vermindering van de snelheid is de reden voor [betrokkene 1] geweest om de inhaalbeweging in te zetten. Dit is nadat [betrokkene 2] zijn richtingaanwijzer had uitgezet, aldus Reaal.
2.4.
De relevante regelgeving over afslaan en inhalen is onder meer opgenomen in de artikelen 11, 17, 18 en 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV). Op grond van artikel 54 RVV Pro zijn het links afslaan en van rijstrook wisselen om in te halen bijzondere manoeuvres. De bestuurder die een bijzondere manoeuvre uitvoert, moet het overige verkeer voor laten gaan. Er bestaat geen rangorde in bijzondere manoeuvres, zodat aangenomen kan worden dat de bestuurder die als eerste de bijzondere manoeuvre inzet deze mag voltooien en dat de andere bestuurder hem dient voor te laten gaan.
2.5.
Paragraaf 7 RVV regelt “
Afslaan” en bestaat uit de artikelen 17 en 18. Artikel 17 lid 2 verplicht Pro de bestuurder voor het afslaan een teken te geven met de richtingaanwijzer. Artikel 18 lid 1 verplicht Pro een bestuurder die afslaat, het verkeer dat hem op dezelfde weg tegemoet komt of dat op dezelfde weg zich naast dan wel links of rechts dicht achter hem bevindt, voor te laten gaan.
2.6.
Een redelijke, op de praktijkgerichte, uitleg brengt mee dat de bijzondere manoeuvre afslaan begint met het richting aangeven. [betrokkene 2] heeft (schriftelijk) verklaard dat hij zijn richtingaanwijzer heeft aangezet en dat hij zag dat de personenauto die direct achter hem reed afremde en hem dus had gezien. [betrokkene 1] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat hij in reactie op het verminderen van de snelheid van de personenauto die direct voor hem reed de inhaalmanoeuvre is gaan inzetten door van rijstrook te wisselen. Hij heeft de auto van [betrokkene 2] die vóór de personenauto van [betrokkene 3] reed, niet eerder gezien dan op het moment van inhalen.
2.7.
Dit betekent dat [betrokkene 2] als eerste de bijzondere manoeuvre heeft ingezet, zodat [betrokkene 1] aan [betrokkene 2] de gelegenheid moest geven om het afslaan te voltooien.
2.8.
Voor het verweer van [betrokkene 1] dat hij de [merk 2] van [betrokkene 2] niet eerder heeft gezien dan bij het wisselen van rijstrook geldt het volgende. Voor een bestuurder van een motorfiets is doorgaans zichtbaar als twee personenauto’s op enige afstand voor hem achter elkaar rijden. Naarmate de motorrijder dichter op de personenauto’s komt te rijden en de onderlinge afstand tussen de personenauto’s kleiner wordt door vaart minderen en remmen kan het zo zijn dat het lijkt of er maar één personenauto rijdt. Dit komt voor risico van [betrokkene 1] . Bovendien dient een bestuurder van een motorfiets erop bedacht te zijn dat vermindering van de snelheid van de voor hem rijdende personenauto op een doorgaande in het buitengebied liggende weg waar 80 km/u is toegestaan, een verkeerstechnische reden kan hebben. Dit verweer maakt niet dat [betrokkene 1] het gaan inhalen terwijl hij [betrokkene 2] voor moest laten gaan, niet kan worden toegerekend.
2.9.
In de bewijsopdracht is ervan uitgegaan dat [betrokkene 2] , zoals hij heeft verklaard, eerst zijn richtingaanwijzer heeft aangezet alvorens daadwerkelijk naar links af te slaan. Omdat Achmea heeft betwist dat [betrokkene 2] zijn richtingaanwijzer had aangezet, heeft de rechtbank in het tussenvonnis geoordeeld dat de toedracht nog niet vaststond en dat daaromtrent meer bewijs moest komen. Achmea heeft in haar akte overlegging producties met verwijzing naar de ongevalanalyse van Meuwissen het standpunt ingenomen dat in het midden kan blijven of [betrokkene 2] zijn richtingaanwijzer heeft aangezet en heeft voorgesorteerd, omdat dit hem niet ontheft van de ingevolge artikel 18 lid 1 RVV Pro op hem rustende verplichting om voorrang te verlenen aan inhalend verkeer. Dit standpunt van Achmea is onjuist, omdat het aanzetten van de richtingaanwijzer het begin van de bijzondere manoeuvre ‘afslaan’ markeert.
2.10.
Dit betekent dat alsnog de stelling van Reaal dat [betrokkene 2] zijn richtingaanwijzer heeft aangezet alvorens naar links af te slaan beoordeeld moet worden. Achmea heeft er kennelijk van afgezien om [betrokkene 3] te benaderen. De betwisting door Achmea van de verklaring van [betrokkene 2] op dit punt is niet gemotiveerd. [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij de auto van [betrokkene 2] helemaal niet heeft gezien. Dat betekent dat [betrokkene 1] ook niet kan verklaren of [betrokkene 2] richting heeft aangegeven. Bij deze stand van zaken heeft te gelden dat [betrokkene 2] inderdaad zijn richtingaanwijzer heeft aangezet. Steun daarvoor bieden het proces-verbaal van politie, het aanrijdingsformulier van [betrokkene 2] en de omstandigheid dat het verhaal van [betrokkene 2] bevestigd zou zijn door de getuige ( [betrokkene 3] ) in een telefoongesprek van de politie met de getuige op 27 november 2019. Bovendien staat vast dat de personenauto achter [betrokkene 2] heeft geremd en zijn snelheid heeft geminderd. De voor de hand liggende verklaring daarvoor is dat [betrokkene 2] zijn richtaanwijzer heeft aangezet.
2.11.
Het verstekvonnis zal op grond van het vorenstaande worden vernietigd. De vorderingen van Achmea zullen alsnog worden afgewezen.
2.12.
Achmea zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de verstek- en verzetprocedure worden verwezen. De kosten van het betekenen van het verstekvonnis en van het uitbrengen van de verzetdagvaarding zullen echter op grond van het bepaalde in art. 141 Rv Pro voor rekening van Reaal komen, omdat deze kosten een gevolg zijn van het feit dat Reaal in eerste instantie niet is verschenen. De door Achmea te vergoeden kosten aan de zijde van Reaal worden begroot op:
- griffierecht 667,00
- salaris advocaat
1.407,50(2,5 punten × tarief € 563,00)
Totaal € 2.074,50

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
vernietigt het door deze rechtbank op 17 februari 2021 onder zaaknummer / rolnummer 382265 / HA ZA 21-27 gewezen verstekvonnis,
en opnieuw beslissend
3.2.
wijst de vorderingen af,
3.3.
veroordeelt Reaal in de kosten die zijn veroorzaakt door het aanvankelijk niet verschijnen, aan de zijde van Achmea begroot op € 87,44 voor de kosten van de betekening van het verstekvonnis,
3.4.
veroordeelt Achmea in de overige kosten van de verstekprocedure, aan de zijde van Reaal tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de overige kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van Reaal tot op heden begroot op € 2.074,50,
3.5.
veroordeelt Achmea in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Achmea niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,
3.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2021.
St/KH