Eisers, vennoten van een agrarische onderneming met boerderijwinkel, en gedaagde delen een inrit die toegang verschaft tot hun erven. Er ontstond een geschil over het gebruik van de inrit, nadat gedaagde betonnen keerwanden plaatste om hinder van bezoekers te beperken.
Eisers vorderden in kort geding verwijdering van de keerwanden. De rechtbank constateerde dat de eigendom van de inrit onduidelijk is en dat het bestaan van een erfdienstbaarheid van overpad via verkrijgende verjaring niet kan worden vastgesteld in kort geding. Het langdurige gebruik door eisers was onvoldoende om ondubbelzinnig bezit aan te nemen.
Desondanks oordeelde de voorzieningenrechter dat het belang van eisers bij onbelemmerd gebruik van de inrit zwaarder weegt dan het belang van gedaagde bij handhaving van de keerwanden. Daarom werd gedaagde veroordeeld de keerwanden binnen een week te verwijderen en in de proceskosten veroordeeld.