ECLI:NL:RBGEL:2021:7314
Rechtbank Gelderland
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beslissing over proceskostenvergoeding in administratief beroep verkeersboete
In deze zaak stond de hoogte van de proceskostenvergoeding voor een administratief beroep tegen een verkeersboete centraal. De officier van justitie had eerder een beschikking krachtens de Wahv vernietigd en een vergoeding toegekend op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Tegen deze beslissing werd beroep ingesteld.
De kantonrechter oordeelde dat de samenhang tussen de zaken door de officier van justitie onterecht was aangenomen, omdat slechts in drie van de 21 zaken gelijktijdige hoorzittingen plaatsvonden. Hierdoor kon niet worden gesproken van samenhangende zaken volgens artikel 3 van Pro het Bpb. Dit leidde tot vernietiging van het bestreden besluit voor zover het de onderhavige zaak betreft.
Verder werd vastgesteld dat de proceskostenvergoeding op basis van het puntensysteem van het Bpb zonder meer zou leiden tot een onredelijk hoge vergoeding, mede door het gebruik van generieke 'bouwstenen' in de beroepschriften. De kantonrechter paste daarom artikel 2, derde lid, van het Bpb toe en stelde een redelijke vergoeding vast van €20 voor het administratief beroep en €379,50 voor het beroep bij de kantonrechter. De officier van justitie werd veroordeeld tot vergoeding van deze kosten.
De uitspraak is gedaan door kantonrechter G.W.B. Heijmans en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2022. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De kantonrechter vernietigt de eerdere proceskostenvergoeding en stelt een redelijke vergoeding van € 399,50 vast.