ECLI:NL:RBGEL:2021:7314

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 december 2021
Publicatiedatum
4 maart 2022
Zaaknummer
9265343 \ BR VERZ 21-383 \ 814
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2, derde lid BpbArt. 3 BpbArt. 1, aanhef en sub a BpbArt. 2, eerste lid, aanhef en sub a BpbWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over proceskostenvergoeding in administratief beroep verkeersboete

In deze zaak stond de hoogte van de proceskostenvergoeding voor een administratief beroep tegen een verkeersboete centraal. De officier van justitie had eerder een beschikking krachtens de Wahv vernietigd en een vergoeding toegekend op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Tegen deze beslissing werd beroep ingesteld.

De kantonrechter oordeelde dat de samenhang tussen de zaken door de officier van justitie onterecht was aangenomen, omdat slechts in drie van de 21 zaken gelijktijdige hoorzittingen plaatsvonden. Hierdoor kon niet worden gesproken van samenhangende zaken volgens artikel 3 van Pro het Bpb. Dit leidde tot vernietiging van het bestreden besluit voor zover het de onderhavige zaak betreft.

Verder werd vastgesteld dat de proceskostenvergoeding op basis van het puntensysteem van het Bpb zonder meer zou leiden tot een onredelijk hoge vergoeding, mede door het gebruik van generieke 'bouwstenen' in de beroepschriften. De kantonrechter paste daarom artikel 2, derde lid, van het Bpb toe en stelde een redelijke vergoeding vast van €20 voor het administratief beroep en €379,50 voor het beroep bij de kantonrechter. De officier van justitie werd veroordeeld tot vergoeding van deze kosten.

De uitspraak is gedaan door kantonrechter G.W.B. Heijmans en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2022. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De kantonrechter vernietigt de eerdere proceskostenvergoeding en stelt een redelijke vergoeding van € 399,50 vast.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaakgegevens 9265343 \ BR VERZ 21-383 \ 814
cjib-nr / registratienr 236014964 / 3VVL21
zitting van 17 december 2021
beslissing inzake Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van

[betrokkene]

wonende te [adres]
betrokkene
gemachtigde mr. N.G.A. Voorbach, Verkeersboete.nl
tegen

de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij beslissing van 18 februari 2021 een beschikking krachtens de Wahv vernietigd en ten aanzien van onder meer deze zaak een vergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand toegekend op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Tegen deze laatste beslissing heeft de gemachtigde beroep ingesteld.
Het beroep is behandeld op de zitting van de kantonrechter van 17 december 2021.

Gronden voor de beslissing:

1. In beginsel wordt de vergoeding van proceskosten zoals als hier aan de orde bepaald met toepassing van het Bpb en de daarbij behorende Bijlage (het puntensysteem). Indien sprake is van bijzondere omstandigheden kan op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb worden afgeweken van het puntensysteem.
2. De officier van justitie heeft bij de bestreden beslissing van 18 februari 2021
een vergoeding voor proceskosten voor verleende rechtsbijstand toegekend van € 300,38. Vermeld is dat dit bedrag als volgt is berekend: 1 punt voor het beroep bij de officier van justitie, samenhangende zaak, 4 of meer dan 4, factor 1,5 wegingsfactor 0,25. Uit de beslissing blijkt dat de officier van justitie de onderhavige zaak heeft aangemerkt als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bbp) met 20 andere zaken. De kantonrechter begrijpt dat dit een vergoeding betreft voor alle 21 zaken. Voor de onderhavige zaak is een bedrag van – afgerond - € 14,30 toegekend.
De kantonrechter kan in deze procedure slechts een oordeel geven over het voor de onderhavige zaak toegekende bedrag.
3. Uit artikel 3, eerste lid, van het Bpb, gelezen in samenhang met de artikelen 1, aanhef en sub a, en 2, eerste lid, aanhef en sub a, van het Bpb, volgt dat voor het vaststellen van het bedrag van de proceskosten samenhangende zaken worden beschouwd als één zaak.
4. In artikel 3, tweede lid, van het Bpb is bepaald dat ‘samenhangende zaken’ zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.
5. Uit de dossiers van de in de beslissing genoemde samenhangende zaken blijkt dat in 3 – waaronder onderhavige zaak – van de 21 zaken op dezelfde dag hoorzittingen hebben plaatsgevonden, waardoor naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake is van een – in alle zaken - gelijktijdige of nagenoeg gelijktijdige behandeling, waardoor die proceshandeling niet als samenhangend kan worden gezien.
6. Het beroep is reeds hierom gegrond en het bestreden besluit komt, voor zover betrekking hebbend op de onderhavige zaak, voor vernietiging in aanmerking.
7. De kantonrechter zal in deze zaak een proceskostenvergoeding toekennen. Daarbij wordt het navolgende in aanmerking genomen. De onderneming waarvoor de gemachtigde werkzaam is, dient jaarlijks zeer vele administratieve beroepen in. De beroepen waarvan de officier van justitie ten onrechte samenhang heeft aangenomen worden gekenmerkt door het gebruik van ‘bouwstenen’ die in algemene bewoordingen zijn geformuleerd. Aangenomen kan worden dat deze bouwstenen in het administratief beroepschrift zijn gebracht door “digitaal knip- en plakwerk” of door een grotendeels geautomatiseerd proces. Ook het onderhavige administratieve beroep bevat geen relevante, op de specifieke gedragingen van de betrokkene toegespitste beroepsgronden.
8. Indien met deze omstandigheden geen rekening wordt gehouden en bij de bepaling van de omvang van de vergoeding onverkort aan het puntensysteem uit het Bpb wordt vastgehouden, leidt dit zonder twijfel tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakt kosten ver overtreft. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb af te wijken van het puntensysteem. Gezien het voorgaande acht de kantonrechter een proceskostenvergoeding van € 15,- voor het administratieve beroep en van € 20,- indien tevens een hoorzitting heeft plaatsgevonden een redelijke vergoeding. De door de officier van justitie toegekende vergoeding ligt onder het bedrag dat door de kantonrechter als redelijk valt aan te merken. De kantonrechter zal de vergoeding op € 20,- vaststellen.
9. De kantonrechter kent voor het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie - dat alleen ziet op de hoogte van de toekenning van de proceskosten – een bedrag toe van
€ 379,50 (2 maal € 759,- x 0.25 - wegingsfactor zeer licht). Dat, zoals gemachtigde stelt, de kantonrechter in Noord-Holland en Den Haag voor deze proceshandeling een wegingsfactor van 0.5 (licht) hanteren, maakt niet dat de kantonrechter reden aanwezig acht om niet een
wegingsfactor van 0.25 (zeer licht) toe te kennen. De kantonrechter verwijst daarbij naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 april 2021 (ECLI:NL:2021:1786).
De proceskosten voor deze zaak worden in totaal begroot op € 20,- + € 379,50 =
€ 399,50.
De officier van justitie kan dit bedrag verrekenen met het reeds aan de gemachtigde uitgekeerde bedrag.
Er zal daarom als volgt worden beslist.

Beslissing

De kantonrechter:
-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt de beslissing van 18 februari 2021, voor zover daarbij in deze zaak een proceskostenvergoeding is toegekend;
-veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene voor het administratief beroep tot een bedrag van € 20,-
-veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene voor het beroep bij de kantonrechter tot een bedrag van € 379,50.
Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. G.W.B. Heijmans, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier, De kantonrechter,
Rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Een afschrift van deze uitspraak is aan betrokkene en de officier van justitie verzonden op: