ECLI:NL:RBGEL:2021:7340

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 november 2021
Publicatiedatum
25 april 2022
Zaaknummer
9148617 \ CV EXPL 21-950
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArtikel 53 algemene voorwaarden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding leaseovereenkomst bedrijfsauto wegens betalingsachterstand

Op 16 maart 2018 is tussen eiser en gedaagde een financiële leaseovereenkomst gesloten voor een bedrijfsauto met een looptijd van 60 maanden. De maandelijkse leasetermijnen moesten vooruitbetaald worden, inclusief administratiekosten en een hogere laatste termijn. Gedaagde heeft betalingsachterstanden opgebouwd en is ondanks meerdere aanmaningen niet nagekomen aan zijn betalingsverplichtingen.

Eiser heeft de overeenkomst ontbonden per 29 mei 2020 en de auto is op 5 juni 2020 ingenomen en vervolgens geveild. De opbrengst van de veiling was lager dan het resterende leasetermijnsaldo. Eiser vordert betaling van het restantbedrag, rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

Gedaagde voert als verweer dat hij door een bedrijfsongeval niet kon betalen en vraagt inzicht in de verkoopopbrengst. De rechtbank oordeelt dat de ontbinding terecht is en wijst de vorderingen toe, waarbij de contractuele rente wordt toegewezen over de achterstallige leasetermijnen en wettelijke rente over het restantbedrag en innamekosten. Ook de buitengerechtelijke kosten en proceskosten worden toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De leaseovereenkomst is ontbonden en gedaagde is veroordeeld tot betaling van achterstallige leasetermijnen, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Nijmegen
zaakgegevens 9148617 \ CV EXPL 21-950 \ 50749
uitspraak van
vonnis
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eisende partij]
gevestigd te [vestigingsplaats]
eisende partij
gemachtigde VD&P juristen
tegen
[gedaagde partij]
wonende en zaakdoende te [plaats]
gedaagde partij
procederend in persoon
Partijen worden hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 juni 2021 en de daarin genoemde processtukken;
- de brief van 9 september 2021 van de zijde van [eisende partij] met aanvullende producties.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 september 2021. [gedaagde partij] is opgeroepen voor de mondelinge behandeling, maar niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
Op 16 maart 2018 heeft [eisende partij] met [gedaagde partij] een overeenkomst van huurkoop (financiële leaseovereenkomst) gesloten, voor de duur van 60 maanden. De lease betreft een bedrijfsauto van het merk Fiat, type: Doblo Cargo Maxi, met [kenteken] (hierna: de auto).
2.2.
De totale leaseprijs bedraagt € 16.957,20 (inclusief de leasevergoeding van € 3.467,20). De maandelijkse leasetermijn van € 232,62 dient bij vooruitbetaling te worden voldaan. De eerste termijn is vermeerderd met € 150,00 aan eenmalige administratiekosten. De laatste termijn wordt vermeerderd met € 3.000,00.
2.3.
[gedaagde partij] heeft de overeenkomst gesloten in het kader van de uitoefening van zijn beroep of bedrijf.
2.4.
Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [eisende partij] van toepassing verklaard. In deze algemene voorwaarden staat – voor zover van belang – het volgende:
“15. Indien de Eindgebruiker in gebreke blijft met de tijdige betaling van een Leasetermijn, dan wel enig ander door hem uit hoofde van de Overeenkomst en/of deze algemene voorwaarde verschuldigd bedrag, zal hij hierover een vertragingsrente verschuldigd zijn gelijk aan 1,5% per maand of de geldende wettelijke rente indien die hoger mocht zijn dan voormeld percentage, te rekenen vanaf de vervaldag tot en met de dag der betaling, waarbij een gedeelte van een maand voor een gehele maand wordt gerekend.
(…)
Ontbinding
43. Indien de Eindgebruiker een op hem rustende verplichting jegens de Leasemaatmaatschappij niet of niet tijdig nakomt (…) dan is de Leasemaatschappij gerechtigd de Overeenkomst, na Eindgebruiker eerst schriftelijk in gebreke te hebben gesteld, zonder rechtelijke tussenkomst middels een schriftelijke buitengerechtelijke verklaring te ontbinden. Ingeval van zodanige ontbinding zal de Leasemaatschappij het Object onmiddellijk tot zich kunnen nemen en is de Eindgebruiker aan de Leasemaatschappij een schadevergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het totaal van de Leasetermijnen die de Eindgebruiker bij het in stand blijven van de Overeenkomst gehouden zou zijn geweest te voldoen, vermeerderd met:
- de kosten die verbonden zijn aan de terugneming, opslag en het transport van het Object en
- een positief verschil tussen de waarde van het Object en het totaal van de Leasetermijnen die de Eindgebruiker bij het in stand blijven van de Overeenkomst gehouden zou zijn geweest te voldoen.
(…)
Kosten
53. Alle kosten door de Leasemaatschappij gemaakt ter uitvoering en behoud van haar rechten, waaronder begrepen zonder daartoe te zijn beperkt kosten voor verwijdering, taxatie en transport, alsook gerechtelijke en buitengerechtelijke invorderingskosten, zijn voor rekening van de Eindgebruiker. De buitengerechtelijke invorderingskosten worden gesteld op 10 procent (10%) van het totale bedrag van de niet betaalde verschenen en nog niet verschenen termijnen, met een minimumbedrag van € 250,-.”
2.5.
[gedaagde partij] heeft een achterstand in de betaling van de maandelijkse leasetermijnen laten ontstaan. Vanaf 3 februari 2020 heeft [eisende partij] [gedaagde partij] diverse keren aangemaand om de achterstallige leasetermijnen te voldoen.
2.6.
Op 27 maart 2020 heeft [eisende partij] aan [gedaagde partij] per e-mail meegedeeld dat de overeenkomst zal worden ontbonden als [gedaagde partij] de achterstallige leasetermijnen niet betaalt. Per e-mail van 20 mei 2020 heeft [eisende partij] die mededeling herhaald.
2.7.
Volledige betaling aan de kant van [gedaagde partij] is uitgebleven. Bij brief van 29 mei 2020 heeft [eisende partij] de overeenkomst ontbonden.
2.8.
Hilterman heeft de auto op 5 juni 2020 ingenomen. De auto is via een veiling verkocht voor een bedrag van € 10.103,50.
2.9.
Bij brief van 11 november 2020 heeft [eisende partij] [gedaagde partij] verzocht de kosten van beëindiging van de leaseovereenkomst te betalen.

3.De vordering en het verweer

3.1.
[eisende partij] vordert dat de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. verklaart voor recht dat de financiële leaseovereenkomst (huurkoop) met betrekking tot de auto is ontbonden;
b. [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling aan [eisende partij] van het bedrag van € 3.903,10 (hoofdsom en rente), ter zake van bovengenoemde gronden verschuldigd, vermeerderd met de contractuele rente (zijnde 1,5% per maand), althans de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, over een bedrag van € 3.317,53, vanaf 17 maart 2021, althans de dag van dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening;
c. [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling aan [eisende partij] van het bedrag van de buitengerechtelijke incassokosten, primair ten bedrage van € 331,75, subsidiair ten bedrag van € 456,75, althans een ex aequo et bono te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente indien dit bedrag na betekening niet binnen de door de deurwaarde vermelde termijn plaatsvindt;
d. [gedaagde partij] veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente;
e. [gedaagde partij] veroordeelt in de nakosten.
3.2.
Aan de vordering legt [eisende partij] , zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag. [gedaagde partij] is ondanks aanmaningen in gebreke gebleven met betaling van de leasetermijnen. [eisende partij] heeft daarom de overeenkomst ontbonden. [gedaagde partij] is aan [eisende partij] in hoofdsom verschuldigd een bedrag van € 3.317,53. Dit bedrag is opgebouwd uit de achterstand van de leasetermijnen tot aan de ontbinding (€ 1.773,34) en het zogenoemde inlossaldo ter grootte van de na de ontbinding resterende leasetermijnen (€ 10.746,24), verminderd met de verkoopopbrengst van de auto (€ 10.103,50) en vermeerderd met de kosten voor het innemen van de auto (€ 901,45). Omdat [gedaagde partij] in verzuim verkeert met betaling, is hij op grond van de algemene voorwaarden ook de contractuele rente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd.
3.3.
[gedaagde partij] heeft het volgende als verweer aangevoerd. Wegens een bedrijfsongeval kon [gedaagde partij] de leasetermijnen niet meer betalen. Het vrijwaringsbewijs heeft [gedaagde partij] pas na vier maanden van [eisende partij] ontvangen. [gedaagde partij] wil inzicht in de verkoopopbrengst van de auto.

4.De beoordeling

4.1.
Zowel de door [eisende partij] gevorderde verklaring voor recht als de gevorderde hoofdsom zijn toewijsbaar. De in hoofdsom gevorderde bedragen zijn door [eisende partij] onderbouwd aan de hand van overgelegde facturen en berekeningen. Voor zover voor de beoordeling van belang is [eisende partij] tijdens de mondelinge behandeling ingegaan op het door [gedaagde partij] gevoerde verweer en heeft zij dit verweer voldoende weersproken.
4.2.
Met betrekking tot de rente die over de hoofdsom wordt gevorderd, overweegt de kantonrechter als volgt. Over de achterstallige leasetermijnen van € 1.773,34 is op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden de contractuele rente van 1,5% toewijsbaar vanaf de vervaldata van de leasetermijnen. Omdat de overeenkomst is ontbonden, kan de vordering tot betaling van de contractuele rente over het restantbedrag van (€ 10.746,24 -/- € 10.103,50 =) € 642,74 en over de innamekosten van € 901,45 niet op de overeenkomst worden gegrond. Voor toewijzing van de wettelijke handelsrente is evenmin plaats, nu er geen sprake meer is van een handelsovereenkomst. [gedaagde partij] zal daarom worden veroordeeld om over genoemde bedragen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro te betalen, met ingang van 25 november 2020. Dat is de datum waarop [gedaagde partij] met de betaling van die bedragen in verzuim is komen te verkeren.
4.3.
[eisende partij] heeft verder een vergoeding gevorderd voor de buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter is van oordeel dat [eisende partij] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het primair gevorderde bedrag van € 331,75 (dat is gebaseerd op artikel 53 van Pro de toepasselijke algemene voorwaarden) is niet hoger dan de vergoeding die op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zou worden toegewezen en dus toewijsbaar. Ook de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen als gevorderd.
4.4.
[gedaagde partij] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.
4.5.
De gevorderde veroordeling in de nakosten is toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot. De nakosten zullen worden toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat de leaseovereenkomst met betrekking tot de Fiat Doblo Cargo Maxi met [kenteken] is ontbonden;
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 3.317,53, te vermeerderen met de contractuele rente van 1,5% per maand over € 1.773,34 vanaf de vervaldata van de leasetermijnen tot aan de dag van betaling en de wettelijke rente over € 1.544,19 vanaf 25 november 2020 tot aan de dag van betaling;
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 331,75 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien betaling van dit bedrag na betekening van het vonnis niet binnen de door de deurwaarder vermelde termijn plaatsvindt;
5.4.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [eisende partij] begroot op € 94,17 aan dagvaardingskosten, € 507,00 aan griffierecht en € 498,00 (2 punten x tarief € 249,00) aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien betaling van deze bedragen na betekening van het vonnis niet binnen de door de deurwaarder vermelde termijn plaatsvindt;
5.5.
veroordeelt [gedaagde partij] in de kosten die na dit vonnis ontstaan indien tot executie van dit vonnis dient te worden overgegaan, begroot op € 124,00 aan salaris voor de gemachtigde;
5.6.
verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. G. Hilberink en in het openbaar uitgesproken op