Eiseres, een vennootschap actief in de zoetwarenbranche, stelde dat het gebruikelijk loon van haar directeur-grootaandeelhouder voor 2019 nihil moest zijn vanwege financiële beperkingen. Verweerder, de Belastingdienst, had een naheffingsaanslag opgelegd op basis van een gebruikelijk loon dat niet lager mocht zijn dan het wettelijk minimumloon.
De rechtbank overwoog dat eiseres aannemelijk had gemaakt dat zij niet beschikte over de financiële middelen om het gebruikelijk loon uit te betalen, mede gelet op het negatieve resultaat over het boekjaar 2018/2019 en het geringe geplaatste kapitaal. Hoewel het gebruikelijk loon volgens de Wet LB in beginsel op €45.000 per jaar wordt gesteld, is in dit geval een verlaging gerechtvaardigd.
De rechtbank stelde het gebruikelijk loon vast op €11.250, het bedrag dat in de laatste drie maanden van 2018 reeds was uitbetaald, en verminderde daarom de naheffingsaanslag voor 2019 tot nihil. Het argument dat het loon niet lager mag zijn dan het minimumloon werd verworpen omdat de WML niet is geschreven voor deze situatie. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres.