In deze zaak vordert eiser, vertegenwoordigd door mr. J.H. Lefers, dat ASR Schadeverzekering aansprakelijk wordt gehouden voor alle schade die eiser heeft geleden en zal lijden door een ongeval op 26 maart 2019. In een eerdere deelgeschilprocedure wees de rechtbank dit verzoek af omdat de toedracht van de val onvoldoende vaststond en er geen oorzakelijk verband was met een eerder ongeval op 13 maart 2017.
Eiser verzocht vervolgens om tussentijds hoger beroep tegen deze beschikking toe te staan. ASR verwees naar het eerdere oordeel van de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat tegen deelgeschilbeschikkingen in principe geen hogere voorziening openstaat, maar dat op grond van artikel 1019cc Rv onder voorwaarden tussentijds hoger beroep mogelijk is.
De rechtbank constateerde dat sprake is van een bindende eindbeslissing over de materiële rechtsverhouding en dat er geen nieuwe feiten of juridische misslagen zijn die herziening rechtvaardigen. Desondanks verleende zij om proceseconomische redenen toestemming voor het tussentijds hoger beroep en verwees de zaak naar de parkeerrol in afwachting van de beslissing in hoger beroep.