ECLI:NL:RBGEL:2022:1244

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 maart 2022
Publicatiedatum
8 maart 2022
Zaaknummer
C/05/399902 / HZ ZA 22-58
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1019bb RvArt. 1019cc RvArt. 337 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tussentijds hoger beroep tegen deelgeschilbeschikking aansprakelijkheid ongeval

In deze zaak vordert eiser, vertegenwoordigd door mr. J.H. Lefers, dat ASR Schadeverzekering aansprakelijk wordt gehouden voor alle schade die eiser heeft geleden en zal lijden door een ongeval op 26 maart 2019. In een eerdere deelgeschilprocedure wees de rechtbank dit verzoek af omdat de toedracht van de val onvoldoende vaststond en er geen oorzakelijk verband was met een eerder ongeval op 13 maart 2017.

Eiser verzocht vervolgens om tussentijds hoger beroep tegen deze beschikking toe te staan. ASR verwees naar het eerdere oordeel van de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat tegen deelgeschilbeschikkingen in principe geen hogere voorziening openstaat, maar dat op grond van artikel 1019cc Rv onder voorwaarden tussentijds hoger beroep mogelijk is.

De rechtbank constateerde dat sprake is van een bindende eindbeslissing over de materiële rechtsverhouding en dat er geen nieuwe feiten of juridische misslagen zijn die herziening rechtvaardigen. Desondanks verleende zij om proceseconomische redenen toestemming voor het tussentijds hoger beroep en verwees de zaak naar de parkeerrol in afwachting van de beslissing in hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank verleent toestemming voor tussentijds hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking en verwijst de zaak naar de parkeerrol.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zutphen
zaaknummer / rolnummer: C/05/399902 / HZ ZA 22-58
Vonnis van 9 maart 2022
in de zaak van
[eisende partij],
wonende te [plaats] ,
eiser,
advocaat mr. J.H. Lefers te Eibergen,
tegen
de naamloze vennootschap
ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Utrecht,
gedaagde,
advocaat mr. N.C. Haase te Utrecht.
Partijen zullen hierna [eisende partij] en ASR genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding d.d. 3 februari 2022 tevens verzoek tot het instellen van tussentijds appel
  • het e-mailbericht van de rechtbank d.d. 16 februari 2022 aan ASR met het verzoek om een reactie op het verzoek van [eisende partij] tot het instellen van tussentijds appel
  • het e-mailbericht van ASR d.d. 22 februari 2022.
1.2.
Vervolgens is uitspraak bepaald.

2.De overwegingen

2.1.
Bij beschikking van 1 september 2020 in de deelgeschilprocedure met zaaknummer / rekestnummer C/05/363814 / HZ RK 19-73 heeft de rechtbank het verzoek van [eisende partij] om voor recht te verklaren dat ASR aansprakelijk is voor alle schade die [eisende partij] heeft geleden en zal lijden door het hem overkomen ongeval op 26 maart 2019, afgewezen.
2.2.
Gelijktijdig met de dagvaarding in de bodemprocedure heeft [eisende partij] verzocht om tegen de onder 2.1 genoemde beschikking tussentijds hoger beroep te mogen instellen.
ASR heeft desgevraagd meegedeeld dat zij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank op dit punt.
2.3.
Bij de beoordeling van het verzoek tussentijds hoger beroep toe te staan is uitgangspunt dat tegen de beslissing op een verzoek in de deelgeschilprocedure op grond van artikel 1019bb Rv geen hogere voorziening openstaat. Voorts wordt in artikel 1019cc lid 1 Rv de deelgeschilbeschikking voor de bindende kracht van daarin opgenomen beslissingen over geschilpunten die de materiële rechtsverhouding betreffen, gelijkgesteld met (eind)beslissingen in een tussenvonnis. Op grond van het derde lid van artikel 1019cc Rv kan in de bodemprocedure bij het gerechtshof hoger beroep worden ingesteld tegen de beschikking in het deelgeschil, althans tegen de daarin opgenomen bindende eindbeslissingen over de materiële rechtsverhouding van partijen, als van een tussenvonnis. De bodemrechter dient voor dit tussentijds hoger beroep verlof te verlenen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1019cc lid 3 en onder a Rv alsmede de jurisprudentie over artikel 337 Rv Pro (HR 23 januari 2004, NJ 2005, 510).
2.4.
In de beschikking in de deelgeschilprocedure is beslist dat de toedracht van de val op 26 maart 2019 onvoldoende vaststaat en dat de vastgestelde beperkingen conform het expertiserapport van [betrokkene 1] van 30 juni 2019 - vanwege die onduidelijke toedracht - juridisch niet zonder meer direct in verband te brengen zijn met de val. Op grond hiervan oordeelde de rechtbank dat de val op 26 maart 2019 niet in oorzakelijk verband staat met het eerste ongeval van 13 maart 2017. De vraag of de gevolgen van de val, gelet op de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade, aan ASR kunnen worden toegerekend, behoeft daarom niet meer te worden beantwoord. Het door [eisende partij] gedane beroep op het Deurmat-arrest gaat om die reden niet op.
2.5.
Er is daarmee sprake van een bindende eindbeslissing over de materiële rechtsverhouding tussen partijen, zoals bedoeld in artikel 1019cc lid 1 Rv.
2.6.
Nu niet gesteld of gebleken is dat sprake is van nieuwe feiten of een juridische misslag op grond waarvan de (bodem)rechter terug zou kunnen komen op de over de causaliteit gegeven beslissing in het deelgeschil, is de (bodem)rechter gebonden aan die beslissing. De mogelijkheid bestaat dat het gerechtshof over de causaliteitsvraag een ander oordeel heeft. Om redenen van proceseconomische aard zal de rechtbank toestaan om tussentijds hoger beroep in te stellen tegen de beschikking in deelgeschil van 1 september 2020.
2.7.
In verband met het te verlenen verlof voor het instellen van tussentijds hoger beroep zal de rechtbank de zaak naar de parkeerrol verwijzen in afwachting van de beslissing in hoger beroep.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
staat hoger beroep toe van de op 1 september 2020 onder zaaknummer / rekestnummer C/05/363814 / HZ RK 19-73 gegeven beschikking in de tussen partijen gevoerde deelgeschilprocedure,
3.2.
verwijst de zaak in afwachting van de procedure in hoger beroep naar de parkeerrol van
5 oktober 2022,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2022.
St/mk