ECLI:NL:RBGEL:2022:1917

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 april 2022
Publicatiedatum
14 april 2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 4940
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 SwArt. 53 SwArt. 4:29 BWArt. 4:31 BWArt. 3:202 BW
Verwijzingen
14 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen vermindering erfbelasting ondanks niet-vestiging vruchtgebruik na overlijden moeder

De moeder van eiseres is op 30 juli 2018 overleden en heeft haar echtgenoot onterfd. De vader van eiseres bleef in de woning wonen en oefende een wilsrecht uit op grond van artikel 4:29 BW Pro om een vruchtgebruik op de woning te vestigen. Dit recht is echter niet formeel gevestigd voordat de vader in juli 2019 overleed.

Eiseres en haar broer deden aangifte erfbelasting waarbij het legaat van vruchtgebruik werd aangegeven, maar de Belastingdienst legde een aanslag op zonder rekening te houden met het nog te vestigen vruchtgebruik. Eiseres vorderde vermindering van de aanslag op grond van artikel 53 Successiewet Pro 1956, stellende dat materieel al voldaan was aan het vruchtgebruik en dat de erfgenamen verplicht waren mee te werken aan de vestiging.

De rechtbank oordeelt dat een vruchtgebruik pas ontstaat na vestiging en dat tot die tijd eiseres en haar broer de volle eigendom bezitten. Het wilsrecht leidt niet automatisch tot een wijziging in het verkregene en de erfgenamen waren niet beschikkingsonbevoegd zolang het vruchtgebruik niet was gevestigd. De vergelijking met een afgiftelegaat of legitieme portie gaat niet op omdat die rechten direct bij overlijden ontstaan.

De rechtbank erkent de persoonlijke omstandigheden van eiseres, maar stelt dat artikel 53 Sw Pro beperkt moet worden uitgelegd en dat voor onrechtvaardige gevallen de hardheidsclausule van de staatssecretaris geldt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de proceskosten worden niet toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de aanslag erfbelasting niet te verminderen omdat het vruchtgebruik niet formeel is gevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Belastingrecht
zaaknummer: AWB 21/4940

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van

in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 7 april 2021 aan eiseres voor het jaar 2018 een aanslag erfbelasting opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 september 2021 het bezwaar tegen deze aanslag ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen tijdig beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan verweerder.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2022. De zaak van eiseres is gelijktijdig behandeld met de zaak van haar broer met nummer AWB 21/4941. Namens eiseres zijn haar broer en haar gemachtigde verschenen. Namens verweerder is verschenen [naam 1].

Overwegingen

Feiten
1. De moeder van eiseres (erflaatster) is op 30 juli 2018 overleden. Zij was in koude uitsluiting gehuwd. In haar testament heeft zij haar echtgenoot onterfd en haar twee kinderen tot enig erfgenaam benoemd.
2. De nalatenschap van erflaatster bestond uit een eigen woning (de woning), een bank- en spaarrekening, een effectenportefeuille en een hypothecaire schuld. Eiseres heeft de nalatenschap zuiver aanvaard.
3. De vader van eiseres is na het overlijden van erflaatster in de woning blijven wonen. Op 6 december 2018 heeft de notaris een conceptakte voor de vestiging van een recht van vruchtgebruik op de woning ten behoeve van de vader opgesteld. In deze conceptakte staat onder meer het volgende:

“BEROEP OP EEN ANDER WETTELIJK RECHT EX ARTIKEL 29 BOEK Pro 4 BURGERLIJK WETBOEKOp grond van artikel 29 Boek Pro 4 Burgerlijk Wetboek kan de [vader] de erfgenamen (…) verplichten een vruchtgebruik op voormeld registergoed en op de zich daarin bevindende inboedelgoederen te vestigen.De [vader] heeft verklaard van deze bevoegdheid gebruik te willen maken.De erfgenamen zijn gebonden aan dit vruchtgebruik.”

4. De vader van eiseres is in januari 2019 onverwacht ernstig ziek geworden en op 4 juli 2019 aan deze ziekte overleden. De voornoemde conceptakte is in de tussenliggende periode niet gepasseerd.
5. De broer van eiseres heeft op 23 november 2020 namens eiseres en hun vader en voor zichzelf aangifte erfbelasting gedaan vanwege het overlijden van erflaatster. Namens hun vader heeft hij een legaat niet vrij van recht aangegeven. Dit legaat is gebaseerd op het levenslange recht van vruchtgebruik op de woning. Hij heeft voor eiseres en zichzelf een erfrechtelijke verkrijging aangegeven die door de toepassing van de vrijstelling voor erfrechtelijke verkrijgingen door kinderen onbelast is.
6. Verweerder heeft op 7 april 2021 aan eiseres de aanslag erfbelasting opgelegd naar een belaste verkrijging van € 77.406. Hij heeft hierbij geen rekening gehouden met het legaat.
Geschil
7. Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht de aanslag erfbelasting heeft opgelegd. In het bijzonder is in geschil of verweerder deze aanslag op grond van artikel 53 van Pro de Successiewet 1956 (Sw) moet verminderen.
8. Eiseres betoogt dat verweerder de aanslag erfbelasting moet verminderen. De langstlevende heeft immers een beroep gedaan op een wilsrecht, zijnde artikel 4:29 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Het is voor de vermindering van de aanslag niet relevant dat het recht van vruchtgebruik niet formeel is gevestigd. De langstlevende en de erfgenamen hebben namelijk materieel invulling gegeven aan het te vestigen recht van vruchtgebruik. Dit blijkt uit het feit dat de langstlevende tot zijn overlijden in de woning is blijven wonen. De erfgenamen kunnen bovendien de woning door het beroep op voornoemd artikel niet overdragen. Zij zijn immers verplicht om mee te werken aan de vestiging van het recht van vruchtgebruik. Daarnaast wordt bij een afgiftelegaat van een recht van vruchtgebruik en een beroep op de legitieme portie wel direct rekening gehouden met de waardedruk die van die aanspraak uitgaat.
9. Verweerder stelt dat het recht van vruchtgebruik niet is gevestigd, waardoor er geen aanleiding is om de aanslag erfbelasting te verminderen. Daarnaast stelt hij dat eiseres een verkeerde vergelijking maakt tussen de uitoefening van het wilsrecht van artikel 4:29 van Pro het BW met een afgiftelegaat van een recht van vruchtgebruik en een beroep op de legitieme portie. Hiervoor is in tegenstelling tot de uitoefening van het voornoemde wilsrecht geen vestigingshandeling nodig om rekening te houden met de waardedruk.
Beoordeling van het geschil
10. De inspecteur heft erfbelasting over de waarde van alles wat krachtens erfrecht wordt verkregen door het overlijden van iemand die ten tijde van het overlijden in Nederland woonde. [1] Het gaat in beginsel om de waarde van de erfrechtelijke verkrijging op het tijdstip van overlijden.
11. Artikel 53 van Pro de Sw bepaalt dat de inspecteur onder omstandigheden de aanslag erfbelasting vermindert. De inspecteur vermindert de aanslag onder meer indien en voor zover als gevolg van de uitoefening van een wilsrecht voortspruitende uit een op de sterfdag of ten tijde van de verkrijging al bestaande of ontstane rechtsverhouding, wijziging wordt gebracht in de persoon van de verkrijger of in het verkregene. [2]
12. De echtgenoot van de erflater kan op grond van artikel 4:29 van Pro het BW van de erfgenamen medewerking verlangen aan de vestiging van een vruchtgebruik op de woning die door hem, al dan niet met de erflater, ten tijde van het overlijden van de erflater werd bewoond en tot de nalatenschap behoort. Hiervoor is vereist dat de echtgenoot ten gevolge van de uiterste wilsbeschikking van de erflater niet of niet de enig rechthebbende is op die woning. [3] Hij moet uiterlijk zes maanden na het overlijden van de erflater verklaren dat hij aanspraak maakt op de vestiging van dit recht van vruchtgebruik. [4]
13. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is om de aanslag te verminderen. Artikel 53 Sw Pro kent een dubbele toets. Ten eerste moet een wilsrecht zijn uitgeoefend en ten tweede moet als gevolg van de uitoefening van dat wilsrecht een wijziging worden gebracht in de persoon van de verkrijger of het verkregene. Weliswaar heeft de vader met zijn beroep op artikel 4:29 van Pro het BW een wilsrecht uitgeoefend, maar hierdoor wordt niet automatisch een wijziging in het verkregene van eiseres gebracht. Een recht van vruchtgebruik ontstaat immers pas na vestiging of verjaring. [5] Tot dat moment heeft eiseres samen met haar broer de volle eigendom van de eigen woning. Pas na de vestiging van dit recht wijzigt het verkregene en heeft eiseres de helft van de blote eigendom. Dit wordt niet anders door het feit dat haar vader tot zijn overlijden in de woning is blijven wonen.
14. Het bovenstaande oordeel wordt niet anders door het feit dat de erfgenamen verplicht waren om mee te werken aan de vestiging van het recht van vruchtgebruik. Eiseres heeft betoogd dat zij en haar broer niet de mogelijkheid hadden om de woning vrij over te dragen, omdat zij verplicht waren mee te werken aan de vestiging van het recht van vruchtgebruik. De rechtbank begrijpt dat zij hierbij doelt op artikel 4:29, tweede lid, van het BW. Op grond van deze bepaling zijn de erfgenamen beschikkingsonbevoegd de woning over te dragen zolang de langstlevende een beroep op het eerste lid van dat artikel kan doen. [6] De erfgenamen konden, in tegenstelling tot wat eiseres heeft betoogd, de woning vrij overdragen. Zij zijn immers alleen beschikkingsonbevoegd om de woning over te dragen zolang de langstlevende een beroep op artikel 4:29 van Pro het BW kan doen. De erfgenamen zijn weer beschikkingsbevoegd wanneer de langstlevende een beroep op dit artikel heeft gedaan of de termijn om het beroep te doen, is verstreken. De vader van eiseres zou vanaf het moment waarop hij een beroep heeft gedaan op voornoemd artikel tot de vestiging van het recht van vruchtgebruik niet kunnen voorkomen dat eiseres en haar broer in de tussentijd de woning aan een ander zouden leveren. Hij is immers geen partij is bij de overeenkomst die als titel dient voor de overdracht. Het gevolg van dit handelen is wel dat eiseres en haar broer schadeplichtig zouden worden. [7] De vordering tot schadevergoeding waar de vader van eiseres zich op zou kunnen beroepen, richt zich echter niet tegen de nalatenschap, maar tegen het handelen van de erfgenamen in privé. Daarmee is er dus nog steeds geen sprake van een wijziging van wat eiseres krachtens erfrecht heeft verkregen.
15. De vergelijking die eiseres heeft gemaakt tussen de uitoefening van het wilsrecht van artikel 4:29 van Pro het BW en een afgiftelegaat van een recht van vruchtgebruik en een beroep op de legitieme portie gaat niet op. Een (afgifte)legaat is immers een vorderingsrecht dat krachtens erfrecht ontstaat op het tijdstip van overlijden. In tegenstelling tot het beroep op een wilsrecht wordt op grond van de hoofdregel bij de heffing van erfbelasting rekening gehouden met de waarde van dat vorderingsrecht en niet met het nog te vestigen recht van vruchtgebruik. De legitieme portie is het deel van het vermogen van een erflater waar een legitimaris in weerwil van giften en uiterste wilsbeschikkingen aanspraak op kan maken. [8] Op het moment dat een legitimaris aanspraak maakt op zijn legitieme portie ontstaat krachtens erfrecht een vordering op de gezamenlijke erfgenamen dan wel de echtgenoot van de erflater. [9] Het recht van vruchtgebruik ontstaat daarentegen pas na de vestiging van dit recht, waardoor niet eerder dan dat moment rekening kan worden gehouden met de waardedruk die daaruit voortvloeit.
16. De rechtbank heeft er begrip voor dat eiseres en haar vader bij zijn onverwachte ziekbed andere zaken aan hun hoofd hebben gehad dan het passeren van de notariële akte om het recht van vruchtgebruik te vestigen. Dat geldt in dit geval des te meer, omdat eiseres kort daarvoor haar moeder heeft verloren en de langstlevende dus zijn echtgenote. Artikel 53 van Pro de Sw wijkt echter af van de hoofdregel dat de aanslag erfbelasting wordt opgelegd aan de hand van de omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van het overlijden van de erflater. Deze bepaling moet daarom beperkt uitgelegd worden. In de uitleg zit, hoe lastig dat ook is, geen ruimte om rekening te houden met de situatie van eiseres. Voor zwaarwegende gevallen van onrechtvaardige aard heeft de staatssecretaris van Financiën de bevoegdheid om een tegemoetkoming te verlenen. [10] In deze bevoegdheid zit wel ruimte om rekening te houden met de specifieke situatie van eiseres die ertoe geleid heeft waardoor het recht van vruchtgebruik niet is gevestigd, maar die ruimte heeft de rechtbank dus niet.
17. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.
18. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.

Voetnoten

1.Artikel 1, eerste lid, onderdeel 1, van de Sw.
2.Artikel 53, eerste lid, eerste volzin, van de Sw.
3.Artikel 4:29, eerste lid, van het BW.
4.Artikel 4:31, tweede lid, van het BW.
5.Artikel 3:202 van Pro het BW.
6.Artikel 3:84, eerste lid, van het BW.
7.Artikel 6:74 van Pro het BW dan wel artikel 6:162 van Pro het BW
8.Artikel 4:63, eerste lid, in samenhang met artikel 4:80, eerste lid, van het BW.
9.Artikel 4:79, onderdeel a, van het BW.
10.Artikel 63 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen.