De zaak betreft een civiel geschil tussen een naamloze vennootschap (eiseres) en een voormalig bestuurder (gedaagde) van een bewindvoeringskantoor, over terugbetaling van een bedrag van €16.363,00 en schadevergoeding wegens vermeend misbruik van bevoegdheid.
Na het ontslag van gedaagde als bewindvoerder ontstonden conflicten over de afwikkeling van het bewindvoeringskantoor en de verdeling van inkomsten. Eiseres stelde dat zij onverschuldigd het bedrag van €16.363,00 had terugbetaald en dat gedaagde onrechtmatig handelde door terugbetaling te vorderen. Tevens vorderde eiseres vergoeding van kosten die zij maakte voor rechtsbijstand van een werknemer die door gedaagde werd aangesproken op overtreding van een concurrentiebeding.
De rechtbank oordeelde dat het bestaan van de vordering van eiseres op het bewindvoeringskantoor omstreden is en dat gedaagde als bestuursvoorzitter niet onrechtmatig heeft gehandeld door het bedrag te incasseren. Ook was onvoldoende onderbouwd dat gedaagde persoonlijk aansprakelijk is voor de gevorderde schadevergoeding. Bovendien maakte eiseres misbruik van procesrecht door gedaagde aan te spreken in plaats van het bewindvoeringskantoor, terwijl de geschillen over de afwikkeling nog niet waren beslecht.
De rechtbank wees daarom alle vorderingen af en veroordeelde eiseres in de proceskosten, die uitvoerbaar bij voorraad werden verklaard.