Eiser startte een nieuwe procedure tegen gedaagde over dezelfde rechtsbetrekking en hetzelfde feitencomplex als in een eerdere onherroepelijke uitspraak, maar nu op basis van het Weens Koopverdrag. De rechtbank oordeelde dat dit een misbruik van procesrecht is omdat eiser op voorhand had moeten begrijpen dat deze tweede procedure geen kans van slagen had, mede omdat het feitelijke geschil al definitief was beslecht.
De rechtbank benadrukte dat het gezag van gewijsde niet automatisch misbruik van procesrecht betekent, maar dat hier sprake was van een evident ongegronde vordering. Eiser beriep zich op een nieuw element, een vermeende niet-conforme trekhaak, maar dit werd als een minimaal en onvoldoende zelfstandig feit beoordeeld.
Verder bleek uit de procedure dat eiser de nieuwe procedure was gestart als een uiterste noodgreep vanwege het niet tijdig instellen van cassatie door zijn vorige advocaat. De rechtbank vond dit geen rechtvaardiging voor een nieuwe procedure en veroordeelde eiser in de werkelijke proceskosten van gedaagde, die ruim €9.800 bedroegen. De rechtbank wees ook het meer of anders gevorderde af.