Eiser exploiteerde drie horecagelegenheden in een woonplaats. De burgemeester van Arnhem trok de exploitatievergunningen en drank- en horecavergunningen van twee van deze gelegenheden in, waaronder een snackbar en een nachtwinkel/slijterij. Eiser stelde beroep in tegen deze besluiten.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen procesbelang had bij het beroep tegen de intrekking van de exploitatievergunning voor de snackbar, omdat hij de exploitatie daarvan had gestaakt en deze gestaakt wilde houden. Dit deel van het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Ten aanzien van de intrekking van de vergunningen voor de nachtwinkel/slijterij oordeelde de rechtbank dat eiser als leidinggevende slecht levensgedrag vertoonde, zoals eerder in een andere uitspraak was vastgesteld. Op grond daarvan was de burgemeester gehouden de vergunningen in te trekken. Dit deel van het beroep werd ongegrond verklaard.
De rechtbank baseerde haar oordeel op de Drank- en Horecawet, de Algemene Plaatselijke Verordening van Arnhem en het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.