1.1.Volgens verweerder is de gevraagde omgevingsvergunning in strijd met het bestemmingsplan. Verweerder wil niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a en 2˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 4, onderdeel 9, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) (de kruimelgevallenregeling) van het bestemmingsplan afwijken. Het verzoek past volgens verweerder wel binnen het algemene ‘kruimelgevallenbeleid’, zoals beschreven in de ‘Beleidsregel bestemmingen afwijkingen’. Daarnaast is echter ook de notitie ‘Bouwen voor Behoefte 2017’ van toepassing. Op basis van die notitie kunnen alleen woningen worden toegestaan bij plannen met een financiële en/of ruimtelijke meerwaarde in de deelgebieden waar nog behoefte aan woningen is. Verweerder heeft echter niet getoetst aan deze notitie, omdat eiser daarvoor een verzoek had moeten indienen om woningen te reserveren voor de betreffende locatie en eiser dit niet heeft gedaan.
Uitspraak rechtbank 19 september 2019
2. De rechtbank heeft in de uitspraak van 19 september 2019 geoordeeld dat verweerder de behoefte naar wonen op deze locatie mag betrekken bij zijn afweging of hij op de voet van artikel 4, onderdeel 9, van Bijlage II van het Bor van het bestemmingsplan afwijkt. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat niet duidelijk is geworden of de notitie ‘Bouwen voor behoefte’ ook betrekking heeft op de omzetting van kantoor naar wonen. Dat blijkt niet duidelijk uit de notitie, mede omdat niet duidelijk is geworden of het omzetten van kantoren naar wonen ook ten koste gaat van de toegewezen woningbouwcontingenten.
Voor zover er vanuit moet worden gegaan dat de notitie ‘Bouwen voor behoefte’ hier van toepassing is, bestaat geen rechtsregel dat eiser een afzonderlijke aanvraag zou moeten doen voor reservering van een woning. De rechtbank is van oordeel dat een aanvraag om een omgevingsvergunning in dat geval als een dergelijk verzoek moet worden opgevat. Dat heeft verweerder ten onrechte niet gedaan en verweerder heeft eiser daarom ten onrechte naar een afzonderlijke procedure verwezen. De rechtbank heeft aangegeven dat verweerder in het kader van de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning de behoefte dient te beoordelen. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank het besluit van 6 maart 2019 dus niet voldoende gemotiveerd wat betreft de vraag waarom de notitie van toepassing is en wat betreft de procedure onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak, waarbij de vraag naar de behoefte van de betrokken woningen ten volle aan de orde dient te komen, met inachtneming, indien van toepassing, van de notitie ‘Bouwen voor behoefte’.
Wat heeft verweerder ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit?
3. In het bestreden besluit heeft verweerder naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank overwogen dat op basis van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a en 2˚, van de Wabo en artikel 4, onderdeel 9, van Bijlage II van het Bor meegewerkt kan worden aan het omzetten van kantoorruimte naar woningen. Verweerder heeft vervolgens overwogen dat in artikel 3, eerste lid van de “Beleidsregel bestemmingsplanafwijkingen” is vastgelegd dat als toepassing gegeven wordt aan een afwijking het aantal woningen gelijk moet blijven. Omdat het bouwplan ziet op het realiseren van nieuwe woningen betekent dit volgens verweerder dat niet rechtstreeks op grond van deze beleidsregel kan worden meegewerkt aan het initiatief. Daarom wil verweerder geen gebruik maken van de afwijkingsbevoegdheid.
Verweerder wil ook geen toepassing geven aan de hardheidsclausule uit de beleidsregel. In geval van bijzondere omstandigheden kan er een noodzaak zijn om mee te werken aan een initiatief in afwijking van de ‘Beleidsregel bestemmingsplanafwijkingen’ wanneer er geen precedentwerking optreedt.
Daarvoor heeft verweerder gekeken naar de notitie ‘Bouwen voor behoefte’. Verweerder acht deze notitie van toepassing omdat deze notitie ziet op alle woningen ongeacht de wijze waarop de woningen tot stand komen. Binnen de gemeente was er gelet op afspraken met de provincie maar een beperkt aantal woningen beschikbaar. De gemeenteraad heeft besloten alleen woningen toe te willen kennen in de deelgebieden Lienden, Buren en Beusichem. Daarbij moest wel sprake zijn van een ruimtelijke en/of financiële meerwaarde. Hiervoor is een lijst opgesteld met locaties die in aanmerking kwamen. Deze lijst is opgesteld op basis van uitvraag. De uiterste datum voor indiening van een plan was 19 september 2018.
Verweerder stelde op 18 september 2018 het toetsingskader vast om de ruimtelijke meerwaarde te bepalen. Ook besloot verweerder daarbij om maximaal 90 woningen toe te kennen. Daarbij stelde verweerder wel dat de uiteindelijke keuze om woningen te reserveren opnieuw aan verweerder voorgelegd moest worden.
Vervolgens heeft verweerder de aanvraag omgevingsvergunning getoetst aan de hand van het beleid en de uitkomsten van ‘Bouwen voor behoefte 2017’ en de ‘uitvraag woningen 2018’ om na te gaan of het plan wel in aanmerking komt voor het reserveren van woningen.
De locatie aan het [locatie] in [woonplaats] valt binnen het deelgebied Lienden. Op basis van het afwegingskader ruimtelijke meerwaarde, scoort de locatie aan het [locatie] in [woonplaats] 30 punten. Gevolg daarvan is dat voor het initiatief geen woningen gereserveerd zouden gaan worden. Er was namelijk sprake van initiatieven die meer ruimtelijke en/of financiële meerwaarde hadden en dus meer punten scoorden. Door ten behoeve van deze initiatieven woningen te reserveren zijn de 90 woningen die verweerder beschikbaar wilde stellen voor de uitvraag vergeven. Verweerder heeft vervolgens geconcludeerd dat destijds het verzoek om woningen te reserveren op basis van het beleid ‘Bouwen voor behoefte 2017’ zou zijn afgewezen.
Verder heeft verweerder overwogen dat naar aanleiding van een motie van de gemeenteraad van 9 juli 2019 een voorstel is gedaan aan verweerder om opnieuw woningen te reserveren. Ten tijde van dat voorstel was er geen voltallig college in functie. Daarom is destijds de keuze gemaakt om geen besluit te nemen naar aanleiding van het voorstel en nog geen keuze te maken over de uitvoering van de motie. In dit voorstel was het adres [locatie] te [woonplaats] ook meegenomen. Voorgesteld was om 1 extra woning te reserveren voor deze locatie. Daarmee zouden voor deze locatie twee woningen gereserveerd worden. Dit aantal is voorgesteld op basis van een stedenbouwkundige beoordeling. Daarbij is als uitgangspunt genomen dat het vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is om het pand in de lengte van het perceel te splitsen. Een woning achter in het pand zou niet te identificeren zijn als woning en daarom vanuit stedenbouwkundig oogpunt ongewenst zijn. voorts zijn drie zelfstandige woningen vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet gewenst. Omdat er geen besluit is genomen over het opnieuw reserveren van woningen konden geen woningen gereserveerd worden voor dit initiatief.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder er in het bestreden besluit en tijdens de zitting van 16 november 2021 niet in geslaagd is om voldoende duidelijkheid te geven naar aanleiding van de vraagstelling van de conclusie in de uitspraak van rechtbank van 19 september 2019. Daarom heeft de rechtbank het onderzoek tijdens de zitting geschorst en verweerder verzocht om uiteen te zetten hoe de verdeling van nieuwe woningen binnen de gemeente Buren, en dan concreet voor de kern [woonplaats] tot stand is gekomen. Verweerder is verzocht om aan te geven hoeveel nieuwe woningen er toegestaan zijn in [woonplaats] en of dat aantal past in het beleid en of er nog ruimte voor nieuwe woningen was in deze periode.
Daarnaast is aangegeven dat ter zitting door eiser en gemachtigde van verweerder de optie besproken is of er wel één extra zelfstandige woning toegestaan zou kunnen worden naast de in het besluit van 2 juli 2018 al toegestane zelfstandige woning. Gemachtigde van verweerder heeft ter zitting aangegeven deze optie met het college te willen bespreken. De rechtbank heeft verweerder verzocht daarop te reageren.
5. Verweerder heeft in de brief van 22 december 2021 een toelichting gegeven op de verdeling van de woningen. Volgens verweerder volgt uit deze toelichting dat de aanvraag ten tijde van het nemen van het bestreden besluit terecht conform eigen beleid is afgewezen. Uit de toelichting blijkt volgens verweerder dat er voor het project van eiser onvoldoende ruimte was. Het plan van eiser had volgens verweerder niet de ruimtelijke meerwaarde die nodig was volgens het beleid. De beperkte ruimte die er was, was beschikbaar voor woningen met een financiële en/of ruimtelijke meerwaarde. Het plan van eiser voldeed niet aan dat beleid. Dat betekent volgens verweerder dat het bestreden besluit op dat moment op juiste gronden is genomen.
Beoordeling nadere toelichting
6. De rechtbank oordeelt dat verweerder in de brief van 22 december 2021 niet heeft voldaan aan de vraagstelling van de rechtbank om duidelijk te maken hoe de verdeling van nieuwe woningen binnen de gemeente tot stand is gekomen. In de brief van verweerder van en de daarbij gevoegde toelichting is slechts in algemene termen de verdeling van woningen in de gemeente uiteengezet maar is niet duidelijk gemaakt waarom bij het plan van eiser geen sprake is van een ruimtelijke meerwaarde. Er is evenmin inzichtelijk gemaakt welke woningen wel in [woonplaats] dan wel in het deelgebied Lienden zijn vergund en hoeveel punten aan die woningen zijn toegekend in de beoordeling. Daarmee is de toegepaste procedure onvoldoende concreet toegelicht. Dat betekent dat het bestreden besluit opnieuw onvoldoende is gemotiveerd op dit punt.
Daarnaast merkt de rechtbank op dat verweerder niet is ingegaan op de vraag van de rechtbank of het wel mogelijk is om ter plaatse één extra zelfstandige woning toe te staan.
De beroepsgrond slaagt.