In deze zaak gaat het om een geldlening uit juli 1999 tussen halfbroers, waarbij eiseres een bedrag van €15.882,31 aan gedaagde heeft geleend. Eiseres had een kredietovereenkomst met Defam afgesloten en betaalde maandelijks rente aan Defam. De rechtbank oordeelt dat de vordering tot terugbetaling van het geleende bedrag niet verjaard is, omdat de verjaringstermijn in september 2016 werd gestuit door een dagvaarding in een eerdere procedure.
De rechtbank wijst de vordering tot betaling van de hoofdsom toe en veroordeelt gedaagde tevens tot betaling van de rente aan eiseres, ondanks dat de rente niet schriftelijk was overeengekomen. Dit wordt gerechtvaardigd doordat gedaagde op de hoogte was van de kredietvoorwaarden en de hoge rente die eiseres betaalde aan Defam. De gevorderde wettelijke rente vanaf 4 juli 2016 wordt afgewezen omdat er geen verzuim is vastgesteld.
Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €44.094,50 plus de rente die eiseres na 4 juli 2016 aan Defam verschuldigd is geworden. Tevens moet gedaagde de proceskosten betalen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.