ECLI:NL:RBGEL:2022:2282
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontbinding huurovereenkomst medehuurders wegens schending meldingsplicht en onderhuur
De zaak betreft een geschil tussen Stichting Beheer Onroerend Goed Kinderen Krol en twee medehuurders over de ontbinding van een huurovereenkomst van een woonruimte. Krol vordert ontbinding en ontruiming wegens vermeende schending van de meldingsplicht over het hoofdverblijf van een huurder en het toestaan van onderhuur zonder toestemming.
De kantonrechter stelt vast dat hoewel [gedaagde sub a] op het moment van dagvaarden op een ander adres stond ingeschreven, dit op zichzelf geen grond is voor ontbinding van de huurovereenkomst. De meldingsplicht dient om contact te waarborgen, wat niet is geschonden. Krol heeft ook geen betalingsachterstanden gesteld.
Ten aanzien van de onderhuur is de kantonrechter van oordeel dat Krol eerst moet bewijzen dat de algemene bepalingen woonruimte aan de huurders zijn verstrekt, omdat de huurovereenkomst zelf niet volledig is overgelegd en de huurders betwisten dat zij deze bepalingen hebben ontvangen. Tevens moet Krol bewijzen dat er daadwerkelijk sprake is van onderhuur, aangezien de huurders dit gemotiveerd betwisten.
De rechtbank wijst Krol toe om bewijs te leveren over de verstrekking van de algemene bepalingen en het bestaan van onderhuur, en houdt verdere beslissing aan. De procedure wordt voortgezet met een rolzitting waarin de bewijslevering wordt besproken.
Uitkomst: De rechtbank wijst ontbinding af en stelt verhuurder in de gelegenheid bewijs te leveren over verstrekking algemene bepalingen en onderhuur; verdere beslissing wordt aangehouden.