ECLI:NL:RBGEL:2022:2363

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 mei 2022
Publicatiedatum
11 mei 2022
Zaaknummer
C/05/399944 / HA ZA 22-75
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 EEX-VerordeningArt. 18 EEX-VerordeningArt. 19 EEX-VerordeningArt. 4 EEX-VerordeningArt. 1 lid 1 EEX-Verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in geschil over behandelingsovereenkomst met Belgische dierenkliniek

In deze zaak vordert een paardeneigenaresse schadevergoeding van een Belgische dierenkliniek wegens een vermeende tekortkoming bij een operatie aan haar dressuurpaard. De eigenaresse stelt dat de operatie onder narcose werd uitgevoerd terwijl was afgesproken dat dit staand zou gebeuren, waardoor het paard ernstig letsel opliep. Zij beroept zich op bijzondere bevoegdheidsregels voor consumentenovereenkomsten uit de herschikte EEX-verordening om de Nederlandse rechter bevoegd te laten zijn.

De dierenkliniek voert aan dat de rechtbank niet bevoegd is vanwege een forumbeding dat de Belgische rechter van Gent aanwijst als bevoegde rechter en dat de eigenaresse geen consument is. De rechtbank onderzoekt of de eigenaresse als consument kan worden aangemerkt. Gelet op haar professionele en langdurige betrokkenheid bij internationale dressuursport, haar deelname aan kampioenschappen, en haar profilering als professionele amazone, concludeert de rechtbank dat zij handelt in een beroepsmatige hoedanigheid.

Daarmee is geen sprake van een consumentenovereenkomst en kan de eigenaresse geen beroep doen op de bijzondere bevoegdheidsregels. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd om kennis te nemen van het geschil en veroordeelt de eigenaresse in de proceskosten van de dierenkliniek.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en wijst de vordering af; eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/399944 / HA ZA 22-75
Vonnis in incident van 11 mei 2022
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. S.A. Wensing te Emmen,
tegen
de vennootschap naar Belgisch recht
DIERENKLINIEK DE BOSDREEF CVBA,
gevestigd te B-9180 Moerbeke-Waas, België
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaten mrs. L.M. Schelstraete en V. Zitman te 's-Hertogenbosch.
Partijen zullen hierna [eiseres] en De Bosdreef genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties 1 tot en met 13
  • de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring met producties 1 tot en met 12
  • de incidentele conclusie van antwoord met producties 14 tot en met 17.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De vordering in de hoofdzaak

2.1.
[eiseres] vordert in de hoofdzaak dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. voor recht verklaart dat De Bosdreef tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenissen en De Bosdreef te veroordelen tot betaling van de schade vermeerderd met de rente vanaf 15 juni 2021;
II. De Bosdreef te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een door de rechtbank in goede justitie te betalen bedrag;
III. De Bosdreef te veroordelen in de kosten van dit geding.
2.2.
[eiseres] legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. Op of omstreeks 15 juni 2021 heeft De Bosdreef op basis van een met [eiseres] gesloten behandelingsovereenkomst een operatie uitgevoerd aan het aan [eiseres] in eigendom toebehorende dressuurpaard “Lauda”. Op 15 juni 20121 heeft een aan De Bosdreef verbonden dierenarts [eiseres] bericht dat na afloop van de operatie, bij de recovery, bleek dat het paard kreupel was. Uit röntgenopnames bleek vervolgens dat het linkervoorbeen van het paard was gebroken. Tot op het moment waarop de dagvaarding is uitgebracht, was het paard nog niet herteld.
2.3.
Volgens [eiseres] is met De Bosdreef afgesproken dat het paard tijdens de operatie geen volledige narcose zou krijgen en dat de operatie ‘staande’ zou worden uitgevoerd maar is het paard desondanks tijdens de operatie onder narcose gebracht. Doordat zij niet op de hoogte was gebracht over de keuze voor narcose, is [eiseres] de mogelijkheid onthouden om een narcoseverzekering af te sluiten. Als gevolg daarvan dient [eiseres] de schade als gevolg van het breken van het linkervoorbeen zelf te dragen, waarvoor [eiseres] De Bosdreef aansprakelijk houdt.
2.4.
Met betrekking tot de bevoegdheid van de rechtbank beroept [eiseres] zich op de bijzondere bevoegdheidsregels van artikel 17 t/m 19 EEX-Verordening II, nu zij de overeenkomst met De Bosdreef heeft gesloten als consument en De Bosdreef een professionele wederpartij is die activiteiten ontplooit op de internationale, en dus ook de Nederlandse, markt.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
Volgens De Bosdreef is de rechtbank niet bevoegd om over dit geschil te oordelen. In de overeenkomst tussen [eiseres] en De Bosdreef is een forumbeding opgenomen uit hoofde waarvan de Belgische rechter, meer specifiek de rechtbank van Gent, bevoegd is. Volgens De Bosdreef komt [eiseres] geen beroep toe op de bijzondere bevoegdheids-regels van artikel 16 t/m 19 EEX-Verordening II, omdat [eiseres] geen consument is en De Bosdreef geen activiteiten op de Nederlandse markt ontplooit.
3.2.
[eiseres] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3.3.
In dit incident ligt de vraag voor of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van [eiseres] . Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de herschikte EEX-verordening, omdat De Bosdreef gevestigd is in een EU-lidstaat (België) en er sprake is van een geschil als bedoeld in artikel 1 lid 1 van Pro de herschikte EEX-verordening. Uitgangspunt van artikel 4 van Pro de herschikte EEX-verordening is dat De Bosdreef opgeroepen moet worden voor de bevoegde Belgische rechter, omdat zij in dat land gevestigd is.
3.4.
[eiseres] beroept zich op de bijzondere bevoegdheidsregels voor consumentenovereenkomsten die zijn opgenomen in artikel 17 tot Pro en met 19 van de herschikte EEX-verordening. Ingevolge artikel 17 lid 1 onder Pro c van de herschikte EEX-verordening is sprake van een consumentenovereenkomst als voldaan is aan de volgende vereisten: (1) er moet sprake zijn van een overeenkomst die tot stand gekomen is, (2) tussen een consument en een professionele wederpartij, en (3) de professionele wederpartij moet commerciële of beroepsactiviteiten ontplooien in de lidstaat waar de consument woont o
fdergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richten op die lidstaat of op meerdere staten met inbegrip van die lidstaat, en (4) de overeenkomst moet onder die activiteiten vallen.
3.5.
Aan de eerste voorwaarde is voldaan nu tussen partijen niet in geschil is dat er tussen [eiseres] en De Bosdreef een overeenkomst tot stand is gekomen.
3.6.
De tweede vraag is of [eiseres] de overeenkomst is aangegaan als consument, zoals zij stelt en De Bosdreef betwist. De rechtbank overweegt daarover als volgt. De overeenkomst tussen [eiseres] en De Bosdreef ziet op het opereren van het paard Lauda. Vast staat dat [eiseres] het paard Lauda heeft gekocht met als doel om deel te nemen aan internationale dressuurwedstrijden en dat [eiseres] op hoog niveau actief is in de internationale dressuursport, daartoe beschikt over meerdere paarden, (bijna) dagelijks traint, de afgelopen jaren aan een groot aantal internationale dressuurwedstrijden heeft deelgenomen en ondersteund wordt door sponsoren. Voorts staat vast dat [eiseres] al sinds 2014 staat geregistreerd bij de internationale hippische sportfederatie FEI, dat zij met Lauda aan vijf Europese kampioenschappen heeft deelgenomen, en dat zij bij één daarvan zelfs een goeden medaille heeft behaald. Niet in geschil is dat de paarden die op dat niveau worden ingezet een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen en dat de kosten gemoeid met de (op hoog niveau beoefende) dressuursport aanzienlijk zijn. Verder profileert [eiseres] zich, zoals door De Bosdreef onbetwist is gesteld, als atleet en professionele amazone op Faecbook, Instagram en YouTube.
3.7.
De rechtbank is van oordeel dat in die omstandigheden moet worden aangenomen dat [eiseres] het paard Lauda inzet voor een gebruik dat als bedrijfs- of beroepsmatig moet worden beschouwd, nu zij zich reeds gedurende tal van jaren op professionele wijze bezighoudt met de dressuursport. Ook als de rechtbank uitgaat van de juistheid van de stellingen van [eiseres] dat zij student is en dat haar ouders haar financieel ondersteunen om de paardensport te beoefenen, is dit onvoldoende om te concluderen dat zij in haar hoedanigheid van eigenaresse van Lauda handelt als een consument. Dat [eiseres] student is, sluit immers niet uit dat zij daarnaast beroeps- of bedrijfsmatig actief is in de dressuursport. Ook als [eiseres] geen inkomen genereert uit haar activiteiten in de paardensport, wat daar verder ook van zij, kan het om beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten gaan
3.8.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat [eiseres] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen concluderen dat zij de dressuursport slechts hobbymatig beoefent en dat zij derhalve in haar hoedanigheid van eigenaresse van Lauda als consument moet worden aangemerkt. [eiseres] komt derhalve geen beroep toe op de bijzondere bevoegdheidsregels voor consumentenovereenkomsten. De incidentele vordering zal daarom worden toegewezen, zodat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om van dit geschil kennis te nemen. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van De Bosdreef worden begroot op € 563,00 (1 punt) aan salaris advocaat.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het incident, aan de zijde van De Bosdreef tot op heden begroot op € 563,00,
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Braaksma en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2022.