ECLI:NL:RBGEL:2022:2386

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 mei 2022
Publicatiedatum
12 mei 2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 5355
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32, eerste lid, onder 4, sub b, Successiewet 1956Art. 32, eerste lid, onder 4, sub c, Successiewet 1956
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op verhoogde kindervrijstelling erfbelasting wegens onvoldoende onderhoud

Eiser, geboren in 1992 en gehandicapt met recht op een Wajong-uitkering, is erfgenaam van zijn vader die in mei 2020 overleed. Bij de aangifte erfbelasting werd een beroep gedaan op de verhoogde kindervrijstelling van € 62.830, bedoeld voor kinderen die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden en door ziekte of gebrek niet in staat zijn om ten minste de helft van het normale arbeidsinkomen te verdienen.

De Belastingdienst paste echter de reguliere kindervrijstelling toe van € 20.946, waardoor een aanslag erfbelasting van € 5.522 werd opgelegd. De rechtbank moest beoordelen of eiser aan de voorwaarde voldeed dat hij grotendeels op kosten van zijn vader werd onderhouden, wat inhoudt dat minimaal 50% van zijn levensonderhoud door de overledene werd gedragen.

De rechtbank concludeerde dat eiser met zijn Wajong-uitkering van ruim € 15.000 per jaar in belangrijke mate zelf in zijn levensonderhoud voorzag, terwijl de totale kosten van levensonderhoud circa € 16.830 bedroegen. Hierdoor werd niet voldaan aan het criterium van grotendeels onderhouden zijn. De verhoogde kindervrijstelling werd daarom niet toegekend en het beroep van eiser werd ongegrond verklaard.

De uitspraak benadrukt dat de verhoogde kindervrijstelling een verzorgingsgedachte bevat en bedoeld is voor kinderen die financieel afhankelijk waren van de overledene. De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de aanslag erfbelasting wordt ongegrond verklaard omdat hij niet grotendeels op kosten van de overledene werd onderhouden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Belastingrecht
zaaknummer: AWB 21/5355

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak van 7 april 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de opgelegde aanslag erfbelasting (de aanslag) van € 5.522 ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen tijdig beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2022.
Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen, bijgestaan door [naam 1] , oom van eiser. Namens verweerder zijn verschenen [naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiser is geboren op 20 september 1992. Eiser is gehandicapt. Door zijn handicap heeft eiser recht op een Wajong-uitkering.
2. Op 27 mei 2020 is de vader van eiser (erflater) overleden. Eiser is een van de erfgenamen van erflater.
3. Op het moment van overlijden van erflater woonde eiser bij erflater.
4. Op 3 maart 2021 is aangifte erfbelasting gedaan. Volgens deze aangifte verkrijgt eiser een legaat van € 76.169. In de aangifte wordt een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 32, eerste lid, onder 4, sub b, van de Successiewet 1956 (SW). Deze vrijstelling bedraagt € 62.830 (verhoogde kindervrijstelling).
5. Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder de vrijstelling van artikel 32, eerste lid, onder 4, sub c SW toegepast. Deze vrijstelling bedraagt € 20.946 (reguliere kindervrijstelling) zodat de aanslag is berekend naar een belaste verkrijging van € 55.223. De verschuldigde erfbelasting is € 5.522.
Geschil
6. In geschil is of eiser recht heeft op de verhoogde kindervrijstelling.
Beoordeling van het geschil
7. Artikel 32, eerste lid, onder 4, sub b, van de SW (tekst 2020) bepaalt dat van erfbelasting is vrijgesteld tot een bedrag van € 62.830, hetgeen wordt verkregen door kinderen die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden en die ten gevolge van ziekte of gebreken vermoedelijk in de eerstkomende drie jaren buiten staat zullen zijn om met arbeid die voor hun kracht berekend is, de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen van gelijke leeftijd in staat zijn aan inkomen uit arbeid te verwerven.
8. De rechtbank dient te beoordelen of ook aan de eerste voorwaarde voor toepassing van de verhoogde kindervrijstelling is voldaan. Deze eerste voorwaarde is dat het kind grotendeels op kosten van erflater werd onderhouden. Het criterium grotendeels onderhouden duidt op een percentage van 50% of meer.
9. De rechtbank oordeelt dat aan de eerste voorwaarde voor toepassing van de verhoogde kindervrijstelling niet is voldaan. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
10. Bij de invoering van de SW werd de invoering van de verhoogde kindervrijstelling als volgt toegelicht:
“In gevallen waarin een erflater kinderen (…) achterlaat die financieel op hem steunden en die door leeftijd of gebreken niet in staat zijn, normaal in eigen levensonderhoud te voorzien, treedt de wenselijkheid van een algemene voorziening duidelijker aan het licht.” [1]
11. Bij de herziening van de SW in 2002 is de verhoogde kindervrijstelling gehandhaafd. Dit werd als volgt toegelicht:
“Bij de herziening van de Successiewet in 2002 wet de vrijstelling gehandhaafd.
De bijzondere vrijstellingen welke thans gelden voor minder valide kinderen (…) hebben in verhouding tot de voor kinderen in het algemeen geldende vrijstellingen als afzonderlijke verzorgingsvrijstelling slechts geringe betekenis. Bovendien heeft de voortschrijdende ontwikkeling op het gebied van de sociale zekerheid de noodzaak tot het treffen van bijzondere voorzieningen voor deze kinderen verminderd. Toch hebben wij gemeend deze vrijstellingen te moeten handhaven;” [2]
12. Uit deze parlementaire geschiedenis volgt naar het oordeel van de rechtbank dat een verzorgingsgedachte ten grondslag ligt aan de verhoogde kindervrijstelling en dat maatgevend is of het kind al dan niet zelf in zijn levensonderhoud kon voorzien. De rechtbank zal de voorwaarde dat eiser grotendeels op kosten van de erflater moet zijn onderhouden dan ook toetsen aan dit criterium.
13. Voorafgaand aan het overlijden van erflater had eiser recht op een Wajong-uitkering van ruim € 15.000, zodat eiser naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval tot dat bedrag in zijn eigen levensonderhoud kon voorzien. De totale kosten van levensonderhoud bedroegen volgens eiser voorafgaand aan het overlijden van erflater op jaarbasis € 16.830. Afgezet tegen de door eiser ontvangen Wajong-uitkering kan in dit geval dus niet worden gezegd dat eiser grotendeels op kosten van erflater is onderhouden. Aan de eerste voorwaarde voor de verhoogde kindervrijstelling is dan ook niet voldaan zodat eiser geen recht heeft op deze vrijstelling.
14. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
15. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. H.H. Ruis, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer).
Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), dan kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Daarna kiest u hoe u wilt verdergaan (als burger, als organisatie of als professional). Vervolgens kiest u als burger voor Rijksbelastingen. Als organisatie en als professional kiest u voor Bestuursrecht. Daarna kunt u (met DigiD of met E-herkenning) inloggen voor Hoger beroep rijksbelastingen op Mijn Rechtspraak. In Mijn rechtspraak kiest u voor “Nieuwe zaak indienen”, zaaksoort “Rijksbelastingen” en als gerecht en behandellocatie “Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden“. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief.
Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak over onroerendezaakbelastingen (WOZ)), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.Kamerstukken II, 915, nr. 5, p. 8.
2.Kamerstukken II, 16 016, nr. 3, p. 4.