Uitspraak
[verzoeker] , hierna: ‘verzoeker’,
De procedure
Het verzoek
- € 795,21 ter zake kosten rechtsbijstand;
- PM de forfaitaire vergoeding voor het indienen/behandelen van het
Rechtbank Gelderland
De enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Gelderland behandelde op 4 mei 2022 het verzoek van een minderjarige verdachte om vergoeding van kosten rechtsbijstand op grond van artikel 530 Sv Pro. De strafzaak tegen verzoeker was geëindigd met een voorwaardelijk sepot op 21 december 2020 en definitief afgesloten op 22 december 2021.
De officier van justitie stelde aanvankelijk dat het verzoek moest worden afgewezen omdat verzoeker de kosten aan zichzelf te wijten had. Verzoeker verwees naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die oordeelde dat ook niet-aangehouden minderjarige verdachten recht hebben op gefinancierde rechtsbijstand conform de Europese Richtlijn (EU) 2016/800. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid had daarop een tijdelijke regeling aangekondigd die kosteloze rechtsbijstand ook aan niet-aangehouden minderjarige verdachten toekent.
De raadkamer volgde deze lijn en oordeelde dat het onderscheid tussen aangehouden en niet-aangehouden minderjarige verdachten onterecht is en in strijd met de richtlijn. Daarom kwam verzoeker recht toe op vergoeding van de kosten rechtsbijstand gelijk aan de piketvergoeding van €304,53. Daarnaast werd een bedrag van €680,00 toegekend voor de kosten van het opstellen van verzoekschriften en schriftelijke conclusiewisselingen.
De totale vergoeding van €984,53 wordt toegekend en uitbetaald uit de rijkskas. Tegen deze beschikking kan binnen één maand hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Verzoeker wordt een vergoeding van €984,53 toegekend voor gemaakte kosten rechtsbijstand.