Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.De procedure
- het tussenvonnis van 16 maart 2022
- aanvullende productie 15 van [gedaagde]
- akte uitlating producties van [eiseres] met producties SA 20 tot en met SA 23
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 13 juni 2022.
2.De feiten
- Het commercieel exploiteren van [naam gebouw] ;
- Ondersteunen van [naam kerkgenootschap] ;
- Vormgeven van het vrijwilligersbeleid ten gunste van de exploitatie van [naam gebouw] ;
- Ontwikkelen van commerciële activiteiten voor de overige entiteiten van de stichting;
- Nog nader door het bestuur te bepalen taken.’
7.Opeisbaarheid
- de schuldenaar de rente niet uiterlijk op de maandelijkse vervaldatum betaalt;
- de schuldenaar andere verplichtingen tegenover de schuldeiser niet nakomt; (…)
3.De vordering in conventie
Primair:
4.Het verweer in conventie
5.De vorderingen in reconventie
6.Het verweer in reconventie
7.De beoordeling
NJ1989/320 (Vianen/Niemans).
NJ2017/80). De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] aanvoert dat niet is gebleken dat in dit geval [gedaagde] volledig kon overzien met welke gevolgen zij heeft ingestemd, onder meer gelet op de bepaling van de geldleningsovereenkomst die ziet op de directe opeisbaarheid. [gedaagde] heeft dit standpunt echter niet uitgewerkt, reden waarom dit verweer haar niet kan baten.
2.228,00(2,0 punten × tarief € 1.114,00)