ECLI:NL:RBGEL:2022:3585

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 juli 2022
Publicatiedatum
14 juli 2022
Zaaknummer
8656780
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:60 BWArt. 4:34 lid 1 WftArt. 3:40 lid 2 BWArt. 3:53 BWArt. 6:203 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging kredietovereenkomst en terugbetaling onverschuldigde betaling

De kantonrechter van de Rechtbank Gelderland heeft op 6 juli 2022 uitspraak gedaan in een civiele procedure tussen een besloten vennootschap als eiser en een particuliere gedaagde. In een eerder tussenvonnis was om nadere informatie gevraagd, maar de eiser heeft onvoldoende concrete gegevens aangeleverd. Hierdoor oordeelde de rechter dat de eiser niet voldeed aan de vereisten van artikel 7:60 e.v. BW en artikel 4:34 lid 1 Wft Pro.

Als gevolg hiervan vernietigde de kantonrechter ambtshalve de kredietovereenkomst op grond van artikel 3:40 lid 2 BW Pro, omdat het niet naleven van deze openbare orde bepalingen de overeenkomst nietig maakt. Dit betekent dat de vordering van de eiser niet kan worden toegewezen.

Door de terugwerkende kracht van de vernietiging ontstaat een situatie van onverschuldigde betaling, waarbij de gedaagde het bedrag dat aan hem is verstrekt zonder rechtsgrond moet terugbetalen. Na verrekening van reeds betaalde bedragen resteert een terug te betalen bedrag van €2.998,31. De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag en in de proceskosten, waarbij wettelijke rente niet wordt toegewezen wegens gebrek aan grondslag.

Uitkomst: De kredietovereenkomst wordt vernietigd en de gedaagde veroordeeld tot terugbetaling van €2.998,31.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaakgegevens 8656780 \ CV EXPL 20-6897 \ 676 \ 40141
uitspraak van 6 juli 2022
vonnis
in de zaak van
de besloten vennootschap [eiser]
gevestigd te [vestigingsplaats]
eisende partij
gemachtigde De Schout Gerechtsdeurwaarders B.V.
tegen
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 april 2022
- de akte van [eiser]

2.De verdere beoordeling van het geschil

2.1.
De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 6 april 2022. In dat tussenvonnis is overwogen dat de kantonrechter over onvoldoende informatie beschikt voor de ambtshalve toetsing. Daarom is [eiser] in de gelegenheid gesteld nadere stukken aan te leveren. [eiser] heeft geen concrete informatie in plaats van het eerder overgelegde algemene stappenplan overgelegd, heeft niet alsnog het juiste Esic formulier bijgevoegd en geen financiële informatie overgelegd. Wel heeft zij gesteld en met een bijlage onderbouwd dat [gedaagde] goederen heeft behouden met een waarde van in totaal € 6.456,56, een bedrag aan verzendkosten is berekend van € 109,35 en door [gedaagde] een bedrag van € 3.567,60 is betaald.
2.2.
De kantonrechter maakt uit het niet verstrekken van de gevraagde informatie de gevolgtrekking die hij geraden acht. Vanwege de ontoereikende onderbouwing gaat de kantonrechter er van uit dat [eiser] de verplichtingen van art. 7:60 e.v. BW en art. 4:34 lid 1 Wft Pro in dit geval niet heeft nageleefd. Dat betekent dat niet is voldaan aan een regel van openbare orde. Nationale consument-beschermende bepalingen die voortvloeien uit (een omzetting van) Europese richtlijnen moeten namelijk gelijkgesteld worden aan regels die naar nationaal recht van openbare orde zijn. De kantonrechter vernietigt daarom ambtshalve de kredietovereenkomst op grond van art. 3:40 lid 2 BW Pro. Het voorgaande heeft tot gevolg dat geen vordering kan worden gegrond op de kredietovereenkomst en dat de vordering van [eiser] niet toewijsbaar is.
2.3.
Door de terugwerkende kracht van de vernietiging (art. 3:53 BW Pro) is sprake van een situatie waarin het geldbedrag dat de rechtsvoorganger van [eiser] aan [gedaagde] beschikbaar heeft gesteld (de kredietsom) zonder rechtsgrond is verstrekt. Daarom moet [gedaagde] de kredietsom terugbetalen op grond van art. 6:203 BW Pro (onverschuldigde betaling), uiteraard slechts voor zover dat bedrag niet al terugbetaald is. Verder geldt dat [gedaagde] geen rente en kosten op grond van de (nietige) overeenkomst verschuldigd is (geworden). Voor zover al bedragen aan rente en kosten betaald zijn, strekken zij in mindering op de terug te betalen kredietsom.
2.4.
Gelet op het vorenstaande en het gestelde in de akte resteert een bedrag van (€ 6.456,56 + € 109,35 - € 3.567,60 =) € 2.998,31 dat door [gedaagde] moet worden terugbetaald. [gedaagde] zal worden veroordeeld tot deze betaling. Toewijzing van wettelijke rente is onder deze omstandigheden niet aan de orde, omdat daarvoor geen grondslag is gesteld of gebleken.
2.5.
Gezien de uitkomst van deze procedure wordt [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten. De gevorderde nakosten worden toegewezen tot een half salarispunt van het toegewezen salaris met een maximum van € 124,00, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het totaalbedrag van € 2.998,31;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [eiser] vastgesteld op € 86,85 aan dagvaardingskosten, € 499,00 aan griffierecht, € 249,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 124,00 aan kosten die na dit vonnis zullen ontstaan, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;
3.3.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2022