Verdachte, een militair in de rang van sergeant 1e klasse en instructeur VEVA, werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met een VEVA-leerling in november 2019. De aangifte betrof onder meer tongzoenen en betasten van het slachtoffer. De officier van justitie baseerde zich op de verklaring van het slachtoffer en de aanwezigheid van DNA van verdachte op de beha van de aangeefster.
Verdachte ontkende de aantijgingen en stelde dat zijn DNA mogelijk tijdens kamerinspecties op de beha terecht was gekomen. De militaire kamer onderzocht het bewijs zorgvuldig, waarbij werd vastgesteld dat het bewijs niet alleen uit de verklaring van het slachtoffer moest bestaan, maar ook door ander bewijsmateriaal ondersteund moest worden.
Het DNA-onderzoek door het NFI wees uit dat het DNA van verdachte op de beha aanwezig was, maar de militaire kamer achtte het alternatieve scenario van verdachte aannemelijk. Er waren geen aanvullende bewijzen of getuigenverklaringen die het scenario van het slachtoffer ondersteunden. De verklaringen van getuigen waren gebaseerd op horen zeggen en boden geen steunbewijs.
Gezien het ontbreken van voldoende steunbewijs werd verdachte vrijgesproken. De civiele vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de strafrechtelijke bewezenverklaring ontbrak.